wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nieuw Nederlands H4 KGT

Total questions: 40

Worksheet time: 42mins

Name
Class
Date
1.

Een tekst bestaat vaak uit drie delen. Welke? Zet ze in de juiste volgorde en gebruik komma's!

(a)  

2.

Dit deel van een tekst heeft de meeste alinea's:

a)

Inleiding

b)

Middenstuk

c)

Slot

3.

Wat zijn de 5W+H vragen?

4 lines
4.

Welke woorden zijn volgordewoorden?

a)

want

b)

eerst

c)

daarom

d)

daarna

e)

toen

5.

Waar gebruik je volgordewoorden voor?

4 lines
6.

Wat is een tegenstelling?

a)

een synoniem

b)

het tegenovergestelde

c)

een uitleg

d)

een soort ladder die de schilder tegen het huis zet

7.

Wat is de tegenstelling van het onderstreepte woord?

Nieuwe games zijn vaak prijzig, maar in de uitverkoop zijn ze goedkoop.

(a)  

8.

Wat is de tegenstelling van het onderstreepte woord?

De meisjestweeling kleedt zich identiek, hun karakter is daarentegen erg verschillend.

(a)  

9.

Wat is de tegenstelling van het onderstreepte woord?

Er staat tijdelijk een verkeerslicht op het gevaarlijke kruispunt, maar de bewoners willen er permanent één.

(a)  

10.

Aan welke woorden kun je zien dat er een tegenstelling in de zin staat?

a)

maar

b)

toch

c)

daarentegen

d)

echter

11.

Individueel - gezamenlijk


Zijn dit synoniemen of is dit een tegenstelling?

a)

synoniemen

b)

tegenstelling

12.

Prioriteit - voorrang/belangrijk


Zijn dit synoniemen of een tegenstelling?

a)

synoniemen

b)

tegenstelling

13.

Wat betekent "de kat uit de boom kijken"?

4 lines
14.

Vul de juiste vorm van het woord in. (Je moet dus het woord een beetje verbouwen!)


Handhaven - De politie moet zorgen voor de (a)   van de avondklok

15.

Vul de juiste vorm van het woord in. (Je moet dus het woord een beetje verbouwen!)


Beleven - Een parachutesprong is een hele (a)  

16.

Vul de juiste vorm van het woord in. (Je moet dus het woord een beetje verbouwen!)


Garanderen - Op mijn nieuwe fiets kreeg ik een jaar (a)  

17.

Vul aan!


Door dik en ...

(a)  

18.

Vul aan!


Na veel plussen en ...

(a)  

19.

Vul aan!


Ik deelde lief en (a)   met hem.

20.

Vul aan!


Mijn zus en ik zijn als water en ...

(a)  

21.

Vul aan!


De avond was gevuld met een lach en een ...

(a)  

22.

Wat is in deze zin het gezegde?

Het is lekker koud deze week.

(a)  

23.

Wat is in deze zin het gezegde?

Het heeft ook veel gesneeuwd.

(a)  

24.

Wat is in deze zin het gezegde? (let op: instinker)

Boaz vroeg net om een glas drinken.

(a)  

25.

Wat is in deze zin het gezegde?

Ik zou eigenlijk mijn tuin sneeuwvrij moeten maken.

(a)  

26.

Wat is hier onderstreept?

Zonder handschoenen is het erg koud buiten.

a)

de persoonsvorm

b)

het gezegde

c)

beide

27.

Wat is hier onderstreept?

Achter mijn auto ligt een sneeuwduin.

a)

de persoonsvorm

b)

het gezegde

c)

het onderwerp

28.

Wat is in deze zin het onderwerp?

Gisteren mocht ik op de slee van mijn buurjongen.

(a)  

29.

Wat is het onderwerp in deze zin?

Op de gratis versie van Youtube zie je na bijna elk filmpje reclame.

(a)  

30.

Wat is het meervoud van accu?

(a)  

31.

Wat is het meervoud van kangoeroe?

(a)  

32.

Wat is het meervoud van apparaat?

(a)  

33.

Wat is het meervoud van attractie?

(a)  

34.

Schrijf het voltooid deelwoord op de juiste manier.

Mijn moeder heeft boodschappen (halen).

(a)  

35.

Schrijf het voltooid deelwoord op de juiste manier.

Ik heb veel avonturen (beleven)

(a)  

36.

Schrijf het voltooid deelwoord op de juiste manier.

Met de feestdagen heb ik veel liedjes (zingen).

(a)  

37.

Schrijf het voltooid deelwoord op de juiste manier.

Heb je ook door de sneeuw (lopen)?

(a)  

38.

Vul het rijtje aan. Scheid je antwoorden met een komma.


(Voorbeeldvraag: Roepen.

Ik ..

jij ..

wij ..

ik heb ...

Voorbeeldantwoord: roep, roept, roepen, geroepen)


Echte vraag: vinden

Ik ...

Jij ...

Wij ...

Ik heb ...

(a)  

39.

Vul het rijtje aan. Scheid je antwoorden met een komma.


(Voorbeeldvraag: Roepen.

Ik ..

jij ..

wij ..

ik heb ...

Voorbeeldantwoord: roep, roept, roepen, geroepen)


Begrijpen

Ik ...

Jij ....

Wij ....

Ik heb ....

(a)  

40.

Vul het rijtje aan. Scheid je antwoorden met een komma.


(Voorbeeldvraag: Roepen.

Ik ..

jij ..

wij ..

ik heb ...

Voorbeeldantwoord: roep, roept, roepen, geroepen)


Onthouden

Ik ...

jij ....

wij ....

ik heb ....

(a)