wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling Nederlands 1A (Kerstmis)

Total questions: 41

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

Vul aan: Als het doel en ... overeenkomen, dan is de communicatie geslaagd.

(a)  

2.

Wat is het voornaamste doel van deze zender?

a)

informeren

b)

de gedachten, de mening of de ideeën beïnvloeden

c)

mening of standpunt geven

d)

instructies geven

e)

verhaal vertellen

3.

Wat is het voornaamste doel van deze zender?

a)

informeren

b)

de gedachten, de mening of de ideeën beïnvloeden

c)

mening of standpunt geven

d)

instructies geven

e)

verhaal vertellen

4.

Wat is het onderwerp in deze zin:

'Dat liedje kreeg van Letland de meeste punten.'

a)

Letland

b)

Dat liedje

c)

kreeg

5.

Wat is het onderwerp in deze zin:

'Door dat ongeval werd de auto zwaar beschadigd.'

a)

de auto

b)

dat ongeval

c)

Door dat ongeval

d)

werd

6.

Wat is het onderwerp in de volgende zin:

'Op het kerstrapport van Joren Jaspers stonden twee onvoldoendes'.

a)

Op het kerstrapport

b)

Joren Jaspers

c)

stonden

d)

twee onvoldoendes

7.

Noteer het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid tegenwoordige tijd:

'Wat ... (vinden) je mama van je nieuwe vriendin?'

(a)  

8.

Noteer het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid tegenwoordige tijd:

'Waarom ... (antwoorden) je niet op mijn vraag?'

(a)  

9.

Noteer het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid tegenwoordige tijd:

'Ik ... (vermoeden) dat hij heeft gelogen.'

(a)  

10.

Noteer het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid tegenwoordige tijd:

'Mevrouw Jackers ... (schudden) enkele vragen uit haar mouw.'

(a)  

11.

Samenstelling, grondwoord of afleiding?

hartelijk

a)

samenstelling

b)

grondwoord

c)

afleiding

12.

Samenstelling, grondwoord of afleiding?

rusthuis

a)

samenstelling

b)

grondwoord

c)

afleiding

13.

Samenstelling, grondwoord of afleiding?

herinrichten

a)

samenstelling

b)

grondwoord

c)

afleiding

14.

Samenstelling, grondwoord of afleiding?

eindelijk

a)

samenstelling

b)

grondwoord

c)

afleiding

15.

Samenstelling, grondwoord of afleiding?

geluk

a)

samenstelling

b)

grondwoord

c)

afleiding

16.

Samenstelling, grondwoord of afleiding?

studeer

a)

samenstelling

b)

grondwoord

c)

afleiding

17.

Duid de topische vragen aan.

a)

Is het examen van Nederlands moeilijk?

b)

Waarom denk je dat?

c)

Ga ik nog een KITS-krant moeten maken?

d)

Wanneer moeten we die toets inplannen?

e)

Welke examens vond jij het moeilijkst?

18.

Wat is de kernzin in onderstaande alinea?

a)

In het regenwoud is het altijd warm en ook altijd vochtig.

b)

Dat is perfect voor veel tropische bomen, planten en dieren.

c)

In het oerwoud leven tienduizenden verschillende soorten dieren.

d)

Het is er gemiddeld 29 graden en het is er nooit kouder dan 18 graden!

e)

In een jaar valt er ongeveer 16 meter regen!

19.

Gebruik het juiste verwijswoord. Kies uit 'die' of 'dat'.

'Het gezelschapsspel ... ik het liefste speel, is Monopoly.'

(a)  

20.

Gebruik het juiste verwijswoord. Kies uit 'die' of 'dat'.

'Mijn grootmoeder wil niet naar een rusthuis gaan ... al te modern ingericht is.'

(a)  

21.

Gebruik het juiste verwijswoord. Kies uit 'die' of 'dat'.

'Ze heeft zich jarenlang geschaamd over een relatie ... op de klippen liep.'

(a)  

22.

Gebruik het juiste verwijswoord. Kies uit 'die' of 'dat'.

'Rome is de gezelligste hoofdstad ... ik al ooit gezien heb.'

(a)  

23.

Gebruik het juiste verwijswoord. Kies uit 'die' of 'dat'.

'Mijn allereerste schaatstoernooi, ... ik grandioos verloren heb, zal ik nooit meer vergeten.'

(a)  

24.

In welke vorm staat het onderstreepte werkwoord?

'Huilend liep het meisje naar huis.'

a)

PV

b)

INF

c)

IMP

d)

VD

e)

TD

25.

In welke vorm staat het onderstreepte werkwoord?

'Wij zijn dol op het vak Nederlands.'

a)

PV

b)

INF

c)

IMP

d)

VD

e)

TD

26.

In welke vorm staat het onderstreepte werkwoord?

'De leerkracht was bijna over een boekentas gestruikeld.'

a)

PV

b)

INF

c)

IMP

d)

VD

e)

TD

27.

In welke vorm staat het onderstreepte werkwoord?

'Ontsmet je handen bij het binnenkomen.'

a)

PV

b)

INF

c)

IMP

d)

VD

e)

TD

28.

In welke vorm staat het onderstreepte werkwoord?

'Gaf mevrouw Jackers vorige week remediëring over het WWG en NWG?'

a)

PV

b)

INF

c)

IMP

d)

VD

e)

TD

29.

WWG of NWG?

'De Amerikaanse koopjesdag Black Friday is ook bij ons enorm populair.'

a)

WWG

b)

NWG

30.

WWG of NWG?

'Het fenomeen komt overgewaaid uit de Verenigde Staten.'

a)

WWG

b)

NWG

31.

WWG of NWG?

'Daar is Black Friday de vrijdag die volgt op Thanksgiving.'

a)

WWG

b)

NWG

32.

WWG of NWG?

'Op die feestdag spreken Amerikanen hun dankbaarheid uit voor de goede dingen in hun leven.'

a)

WWG

b)

NWG

33.

WWG of NWG?

'De naam ‘Black Friday’ verwijst naar de drukte in de winkelstraten.'

a)

WWG

b)

NWG

34.

Welk schema past bij onderstaande zin:

'Zouden we niet beter hier blijven?'

a)

WWG = PV

b)

NWG = PV + NWD

c)

WWG = PV + INF

d)

WWG = PV + ADPV

35.

Welk schema past bij onderstaande zin:

'Die leerling is voortdurend aan het praten met zijn buur.'

a)

WWG = PV + INF + INF

b)

NWG = PV + NWD + INF

c)

NWG = PV + NWD + aan het + INF

d)

WWG = PV + aan het + inf

36.

Welk schema past bij onderstaande zin:

'Je zou ziek kunnen worden.'

a)

NWG = PV + NWD + INF + INF

b)

WWG = PV + INF

c)

WWG = PV + INF + INF

d)

NWG = PV + NWD + VD + INF

37.

Geef het synoniem voor 'boeken'.

a)

reserveren

b)

lezen

c)

roteren

d)

hummen

38.

Geef het synoniem voor 'afronden'.

a)

ergeren

b)

draaien

c)

voltooien

d)

inspireren

39.

Geef het synoniem voor 'befaamd'.

a)

rijk

b)

beroemd

c)

huiveringwekkend

40.

Geef het synoniem voor 'opvallend'.

a)

opmerkelijk

b)

groot

c)

levendig

d)

hallucinant

41.

Naar welk examen kijk ik het meest uit?

a)

Nederlands

b)

Nederlands

c)

Nederlands

d)

Nederlands