wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2 BK | Transport | BS 2, 3, 7 en 8

Total questions: 44

Worksheet time: 44mins

Name
Class
Date
1.

Transporteren is...

a)

Treinen, boten, vliegtuigen, etc.

b)

hoeveel in een voertuig past

c)

het vervoeren van mensen en materialen

d)

de vorm van een voertuig

2.

Tik alle transportmiddelen aan

a)

Bloedvat

b)

Pijpleiding

c)

Wind

d)

Stroom

e)

Trein

3.

Welke transportmiddelen zijn geschikt voor vaste stoffen?

a)

Pijpleidingen

b)

Transportband

c)

Vrachtwagen

d)

Tankers

4.

Welke transportmiddelen zijn geschikt voor vloeibare stoffen?

a)

Pijpleidingen

b)

Transportband

c)

Vrachtwagen

d)

Tankers

5.

Welke transportmiddelen zijn geschikt voor gassen?

a)

Pijpleidingen

b)

Transportband

c)

Vrachtwagen

d)

Tankers

6.

Wat bedoelen we met ''weerstand'' bij het thema transport?

a)

Dat je medewerkers niet snel ziek worden

b)

De kracht die een voorwerp afremt

c)

De kracht die een voorwerp wegduwt

d)

Dat je transport niet lukt

7.

Wanneer een voorwerp met iets anders botst (zoals wanneer je je handen tegen elkaar wrijft) ontstaat er...

a)

wrijving

b)

weerstand

c)

kracht

d)

stroom

8.

Welk van deze dieren is ''gestroomlijnd''?

a)
b)
c)
d)
9.

Een voertuig dat gestroomlijnd is heeft ... last van weerstand

a)

Geen

b)

Minder

c)

Veel

10.

Welk van deze voertuigen is het meest ''gestroomlijnd''?

a)
b)
c)
d)
11.

Welk van deze voertuigen heeft de grootste capaciteit?

a)
b)
c)
d)
12.

Een voertuig met een GROTE capaciteit kan WEINIG spullen vervoeren

a)

Waar

b)

Niet waar

13.

Deze boot is gestroomlijnd

a)

Waar

b)

Niet waar

14.

''Stoffen die energie leveren als ze worden verbrand''

a)

Brandstoffen

b)

Zuurstof

c)

Transport

d)

Stortgoed

15.

Tik alle voorbeelden van stortgoed aan

a)

Zand

b)

Steenkool

c)

Water

d)

Aardgas

e)

Grind stenen

16.

Je hebt een buis waarin water van A naar B moet stromen. Wat kun je doen om zonder pomp stroming te krijgen?

a)

A hoger leggen als B

b)

De pijpleiding rond laten draaien

c)

A dieper onder de grond maken als B

d)

De pijp van een geleider maken zodat er weinig weerstand is

17.

Je wilt water door een pijp laten stromen van A naar B. Wat moet je doen om dit te laten gebeuren door verschil in druk?

a)

De druk bij A moet hoger zijn

b)

De druk bij B moet hoger zijn

c)

De druk moet op beide plekken gelijk zijn

d)

Dat kun je niet weten

18.

Bekijk de afbeelding van de pomp. In welk deel vindt je de inlaatklep?

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

19.

Bekijk de afbeelding van de pomp. In welk deel vindt je de uitlaatklep?

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

20.

Bekijk de afbeelding van de pomp. Waar is de druk het HOOGST?

a)

A

b)

C

21.

Een cruiseschip heft een grotere capaciteit dan een zeiljacht

a)

Waar

b)

Niet waar

22.

Hoe meer weerstand je ondervindt, hoe ... kracht je moet leveren om vooruit te komen.

a)

meer

b)

minder

23.

Wat is GEEN brandstof?

a)

Steenkool

b)

Aardolie

c)

Aardgas

d)

Elektriciteit

24.

Hoe kun je gas vloeibaar maken?

a)

Verwarmen

b)

Koelen

c)

Snel laten bewegen

d)

Lang laten staan

25.

Wat gebeurt er met de rolwrijving?


Je buigt je lichaam voorover als je aan het fietsen bent

a)

Neemt af

b)

Neemt toe

c)

Geen effect

26.

Wat gebeurt er met de rolwrijving?


Iemand gaat achterop je fiets zitten

a)

Neemt af

b)

Neemt toe

c)

Geen effect

27.

Wat gebeurt er met de rolwrijving?


Je gaat over een zandpad fietsen

a)

Neemt af

b)

Neemt toe

c)

Geen effect

28.

Wat gebeurt er met de rolwrijving?


Je pompt de banden van je fiets harder op

a)

Neemt af

b)

Neemt toe

c)

Geen effect

29.

Wat gebeurt er met de rolwrijving?


Je bent je tas met zware spullen vergeten en fietst naar huis

a)

Neemt af

b)

Neemt toe

c)

Geen effect

30.
de eenheid van kracht is
a)
Newton
b)
Joule
c)
Kelvin
d)
Tesla
31.

Welke kracht is altijd aanwezig?

a)

Windkracht

b)

Zwaartekracht

c)

Spierkracht

d)

Remkracht

32.

Wat is de nettokracht?

a)

34 N

b)

186 N

33.

Welke kant zal de kist opgaan?

a)

links

b)

rechts

34.

Als de nettokracht op een voorwerp 0 N is, welke beweging vind er dan plaats?

a)

Geen enkele, er is namelijk geen kracht

b)

Vertraagde beweging

c)

Constante beweging

d)

Versnelde beweging

35.

Welke kracht past bij het plaatje?


De wind botst tegen een voorwerp aan

a)

Luchtwrijving

b)

Schuifwrijving

c)

Rolwrijving

d)

Zwaartekracht

e)

Opwaartse kracht

36.

Welke kracht past bij het plaatje?


De bank wordt over het tapijt geduwd

a)

Luchtwrijving

b)

Schuifwrijving

c)

Rolwrijving

d)

Zwaartekracht

e)

Opwaartse kracht

37.

Welke kracht past bij het plaatje?


De banden van een mountainbike hebben een groter contactoppervlak dan een wielren fiets

a)

Luchtwrijving

b)

Schuifwrijving

c)

Rolwrijving

d)

Zwaartekracht

e)

Opwaartse kracht

38.

Welke kracht past bij het plaatje?


De appel valt van de boom

a)

Luchtwrijving

b)

Schuifwrijving

c)

Rolwrijving

d)

Zwaartekracht

e)

Opwaartse kracht

39.

Welke kracht past bij het plaatje?


De luchtballon stijgt op

a)

Luchtwrijving

b)

Schuifwrijving

c)

Rolwrijving

d)

Zwaartekracht

e)

Opwaartse kracht

40.

Wat is de eenheid van elektrische weerstand?

a)

Ohm

b)

Volt

c)

Ampere

d)

Watt

41.

Wat is de afkorting van Ohm?

a)

O

b)

Ω

c)

N

d)

δ

42.

Tik alle ISOLATORS aan

a)

Water

b)

Metaal

c)

Kunststof

d)

Glas

43.

Geleiders hebben een HOGE elektrische weerstand

a)

Waar

b)

Niet waar

44.

Grote, dikke elektriciteitskabels kunnen meer stroom vervoeren dan de kabel van je oplader

a)

Waar

b)

Niet waar