wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

NW 1 Thema 2

Total questions: 41

Worksheet time: 58mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de wetenschappelijke naam voor een vleeseter?

a)

consument

b)

omnivoor

c)

producent

d)

carnivoor

e)

herbivoor

2.

Kruis alle zaken aan die horen bij "fytoplankton".

a)

producent

b)

Kan de basis zijn van een voedselpiramide.

c)

plantaardig

d)

reducent

e)

maakt zuurstofgas

3.

Een producent is een groene plant. Ze maken hun eigen voedsel aan en produceren zuurstofgas.

a)

juist

b)

fout

4.

Als je dit deze pijl "->" tekent in een voedselketen, dan betekent dat: "wordt opgegeten door".

a)

juist

b)

fout

5.

Welke organismen zijn zowel predator als prooi?

a)

vos

b)

slang

c)

kikker

d)

lieveheersbeestje

e)

muis

6.

Uit hoeveel schakels bestaat de langste voedselketen die je kunt vinden in deze afbeelding?

a)

4

b)

5

c)

6

d)

7

e)

8

7.

In deze voedselpiramide is er ecologisch evenwicht.

a)

juist

b)

fout

8.

Welke organismen zijn detrivoren?

a)

bodembacteriën

b)

mestkevers

c)

maden ( vliegenlarven )

d)

paddenstoelen

e)

schimmels

9.

Welke stelling klopt?

a)

Dood organisch materiaal wordt opgegeten en dus verkleind door de reducenten.

b)

Organisch materiaal wordt verder afgebroken tot mineralen door de reducenten.

c)

Reducenten zijn mineralen die worden opgenomen door plantaardige organismen.

10.

Duid alle abiotische factoren aan.

a)

bodemsoort

b)

vegetatie

c)

vochtigheid

d)

temperatuur

e)

vijanden

11.

Welke stellingen kloppen over de giraf?

a)

Een giraf heeft een groot gezichtsveld.

b)

Een giraf heeft een goed dieptezicht.

c)

Een giraf is een prooidier.

d)

Een giraf is een predator.

e)

Het gezichtsveld van de giraf is groter dan z'n dieptezicht.

12.

Welke stellingen over de kameleon zijn correct?

a)

Hij is goed gecamoufleerd om z'n prooi te besluipen.

b)

Hij is goed gecamoufleerd om niet op te vallen voor predatoren.

c)

Hij is een predator.

d)

Hij is een prooidier.

e)

Door z'n grote gezichtsveld kan hij de afstand tot z'n prooi goed inschatten.

13.

Op welk niveau van de biodiversiteit situeert zich deze foto?

a)

diversiteit aan soorten

b)

genetische diversiteit

c)

diversiteit aan ecosystemen

14.

Op welk niveau van de biodiversiteit situeert zich deze foto?

a)

diversiteit aan soorten

b)

genetische diversiteit

c)

diversiteit aan ecosystemen

15.

Welke stellingen over de biodiversiteit kloppen?

a)

Een biotoop met een grote biodiversiteit bevat veel organismen van dezelfde soort.

b)

Een biotoop met een lage biodiversiteit heeft weinig verschillende soorten organismen.

c)

Het bosje van Heist heeft een lagere biodiversiteit dan het Amazonewoud.

d)

De biodiversiteit is een plaats waar leven is.

16.

Welke voorbeelden zijn van belang bij de sector "ecologie"?

a)

zuurstofgasproductie door planten.

b)

brandstof en bouwstof

c)

bodembacteriën maken antibiotica.

d)

medicatie met stoffen uit plant en dier.

e)

bestuiving door bijen.

17.

Schapen worden gekweekt voor hun wol, daar worden dan kleren van gemaakt en verkocht. Van welke sector van de biodiversiteit is dit van belang?

a)

ecologie

b)

ontspanning

c)

economie

d)

wetenschap en techniek

18.

Wat zie je op deze foto?

a)

mist

b)

CO2

c)

smog

d)

fossiele brandstoffen

19.

Welk soort gas komt er vrij in de atmosfeer door onze verhoogde vleesconsumptie?

a)

koolstofdioxide

b)

distikstofdioxide

c)

methaangas

d)

zuurstofgas

20.

Hoe snel verdwijnt het regenwoud op onze planeet?

a)

Elk uur verdwijnen er 5 voetbalvelden aan bos.

b)

Elke minuut verdwijnen verdwijnen er 12 voetbalvelden aan bos.

c)

Elke minuut verdwijnen er 5 voetbalvelden aan bos.

d)

Elk uur verdwijnen er 12 voetbalvelden aan bos.

21.

Doordat mensen veel wegen aanleggen geraken natuurgebieden "versnipperd". Hoe noemen we een verbinding tussen twee natuurgebieden waar een weg tussen ligt.

(a)  

22.

Wat betekent de term: "ecologisch evenwicht"?

a)

Een ruimtelijke voorstelling van de voedselketen, waarbij rekening wordt gehouden met het aantal organismen en hun eetpatroon.

b)

Als er voldoende voedsel is voor elk organismen in een biotoop.

c)

Een aaneenschakeling van organismen of schakels waarbij de vorige schakel als voedsel dient voor de volgende.

d)

Een verzameling van voedselketens die met elkaar verbonden zijn.

23.

Een dromedaris heeft vet in zijn bulten bij gebrek aan voedsel en water. Aan welke (a)biotische factoren zijn dit aanpassingen?

a)

bodemsoort

b)

vegetatie

c)

vochtigheid

d)

vijanden

e)

temperatuur

24.

Een cactus heeft geribbelde stengels. Het extra waslaagje beperkt waterverlies bij extreme hitte en droogte. Aan welke (a)biotische factoren zijn dit aanpassingen?

a)

vijanden

b)

lichthoeveelheid

c)

vochtigheid

d)

vegetatie

e)

temperatuur

25.

Wat is de rol van reducenten in een ecosysteem?

a)

Ze breken dood organisch materiaal af en recyclen voedingsstoffen.

b)

Ze produceren voedsel voor andere organismen.

c)

Ze zijn de primaire consumenten in de voedselketen.

d)

Ze zorgen voor de fotosynthese in planten.

26.

Welke van de volgende organismen is een herbivoor?

a)

buizerd

b)

konijn

c)

leeuw

d)

vogelspin

27.

Wat is het gevolg van het verdwijnen van een soort uit een ecosysteem?

a)

Er ontstaat een ecologisch evenwicht.

b)

Het ecosysteem blijft ongewijzigd.

c)

Het kan leiden tot een verstoring van het ecosysteem.

d)

Alle andere soorten zullen ook verdwijnen.

28.

Wat is de belangrijkste oorzaak van klimaatverandering?

a)

Verlies van biodiversiteit

b)

Verhoogde CO2-uitstoot

c)

Verandering in de oceanen

d)

Ontbossing

29.

Wat is de functie van een herbivoor in een ecosysteem?

a)

Ze consumeren planten en zijn voedsel voor carnivoren.

b)

Ze zijn de primaire producenten in de voedselketen.

c)

Ze breken organisch materiaal af.

d)

Ze produceren zuurstof en voedsel.

30.

Wat gebeurt er met de biodiversiteit als een soort uitsterft?

a)

Er ontstaat een nieuw ecosysteem.

b)

De biodiversiteit neemt af.

c)

De biodiversiteit neemt toe.

d)

De biodiversiteit blijft gelijk.

31.

Wat is de belangrijkste functie van producenten in een ecosysteem?

a)

Ze zorgen voor de afbraak van mineralen.

b)

Ze zijn de primaire consumenten.

c)

Ze produceren voedsel en zuurstof.

d)

Ze breken organisch materiaal af.

32.

Welke van de volgende organismen is een carnivoor?

a)

konijn

b)

leeuw

c)

vogelspin

d)

planteneter

33.

Wat is een mogelijke impact van klimaatverandering op de biodiversiteit?

a)

De biodiversiteit blijft gelijk ongeacht de veranderingen.

b)

De biodiversiteit zal alleen veranderen in stedelijke gebieden.

c)

De biodiversiteit zal afnemen door het uitsterven van soorten.

d)

De biodiversiteit zal toenemen door nieuwe soorten.

34.

Hoe noemen we iemand die zich bezighoudt met het bestuderen van de relatie tussen mens en natuur?

a)

een bioloog

b)

een ecoloog

c)

een wetenschapper

d)

een psycholoog

35.

Waarom eten vleesetende planten insecten of andere dieren?

a)

omdat ze dat lekker vinden

b)

omdat dat geen producenten zijn en geen eigen voedsel kunnen maken.

c)

omdat er te weinig mineralen in de zanderige bodem zitten.

36.

Welk dier heeft het grootste gezichtsveld?

a)

een leeuw

b)

een paard

37.

Hoe noemen we het ontwikkelen van dieren en planten, die zo goed mogelijk voldoen aan de eisen van de mens, door kunstmatige selectie?

a)

veredeling

b)

mutatie

c)

evolutie

38.

Hoe heet het proces waarbij levende wezens over vele generaties heen veranderen?

a)

veredeling

b)

mutatie

c)

evolutie

39.

Hoe noemen we een genetisch foutje waardoor evolutie kan plaatsvinden?

(a)  

40.

Hoe noemen we een organisme die hier niet thuishoort en die een bedreiging vormt voor onze biodiversiteit?

(a)  

41.

Welke producten zijn niet goed voor de biodiversiteit of klimaatverandering?

a)

nutella

b)

rundvlees

c)

pink ladies ( appels uit Nieuw-Zeeland )

d)

lokale groenten en fruit

e)

eitjes van je eigen kippen