wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H1 en H2 Lezen

Total questions: 14

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Bij verkennend lezen lees je de hele tekst van begin tot eind. Waar of niet waar?

a)

Waar

b)

Niet waar

2.

De bron van de tekst vind je ...

a)

Bovenaan de tekst

b)

Ergens in het midden van de tekst

c)

Helemaal onderaan de tekst

3.

De bron van de tekst is waar de tekst vandaan komt. Waar of niet waar?

a)

Waar

b)

Niet waar

4.

Welk onderdeel bekijk je NIET bij verkennend lezen

a)

Bron

b)

Titel

c)

Afbeelding

d)

De betekenis van een moeilijk woord

e)

Opvallende woorden

5.

Kies het juiste tekstdoel:

De schrijver wil de lezer aansporen iets te doen of te kopen.

a)

Informeren

b)

Overhalen

c)

Amuseren

6.

Kies het juiste tekstdoel:

De schrijver wil de lezer vermaken door iets grappigs of boeiends te vertellen.

a)

Informeren

b)

Overhalen

c)

Amuseren

7.

Een krantenartikel is een voorbeeld van tekstvorm bij het tekstdoel...

a)

Informeren

b)

Overhalen

c)

Amuseren

8.

Een reclametekst is een tekstvorm die hoort bij het tekstdoel amuseren. Waar of niet waar?

a)

Waar

b)

Niet waar

9.

´In China zijn door het Coronavirus meerdere mensen geïsoleerd. Ze worden uit voorzorg afgesloten van de buitenwereld om verspreiding van het virus te voorkomen.´


Wat betekent het woord geïsoleerd?

Kijk in de zin voor/na het woord.

a)

Geopereerd

b)

Afgesloten van de buitenwereld

c)

Onderzocht in het ziekenhuis

d)

Weggestuurd

10.

Welk tekstdoel hoort bij de tekst op deze afbeelding?

a)

Informeren

b)

Overhalen

c)

Amuseren

11.

Welk tekstdoel hoort bij de tekst op deze afbeelding?

a)

Informeren

b)

Overhalen

c)

Amuseren

12.

Wat is het tussenkopje in de tekst op de afbeelding?

a)

RTL nieuws

b)

De dikgedrukte alinea

c)

´700.00 gebruikers in Nederland´

13.

Bij het voorspellen van het onderwerp, kijken we naar het wie/wat, waar en wanneer. Waar of niet waar?

a)

Waar

b)

Niet waar

14.

Hoe vond je de les vandaag gaan?

a)

Ik kon goed werken deze les.

b)

Ik kon deels goed werken, maar het kan beter.

c)

Ik kon niet goed werken deze les.