wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

V5 Zenuwstelsel

Total questions: 31

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.

Insecticiden uit de groep van neonicotinoïden blokkeren de acetylcholine- receptoren in het centrale zenuwstelsel van insecten.


Welk proces wordt hierdoor direct onmogelijk gemaakt?

a)

afgifte van neurotransmitters

b)

impulsgeleiding

c)

impulsoverdracht

d)

productie van neurotransmitters

2.

De signaalcascade in de smaakzintuigcel leidt uiteindelijk via een verhoging van de Ca2+-concentratie in het cytoplasma tot het ontstaan van impulsen in het aangrenzende neuron.


Hoe reageert het presynaptisch membraan op de verhoging van de Ca2+-concentratie?

a)

synthese van neurotransmitter

b)

exocytose van neurotransmitter

c)

opname van natrium ionen

d)

afgifte van natrium ionen

3.

De signaalcascade in de smaakzintuigcel leidt uiteindelijk via een verhoging van de Ca2+-concentratie in het cytoplasma tot het ontstaan van impulsen in het aangrenzende neuron.

Hoe reageert het postsynaptisch membraan hierop?

a)

depolarisatie

b)

repolarisatie

c)

hyperpolarisatie

4.

In de regel wordt in Nederlandse ziekenhuizen bij pijnbestrijding tijdens de bevalling gekozen voor epidurale anesthesie (de ruggenprik).

Dit is een vorm van plaatselijke verdoving waarbij anesthetica, stoffen die tijdelijke gevoelloosheid voor pijnprikkels veroorzaken, worden ingebracht in de epidurale ruimte die het ruggenmerg omgeeft.


In de afbeelding is in de uitvergroting schematisch het ruggenmerg en de directe omgeving weergegeven.

Met welk nummer is de positie van de naaldpunt bij epidurale anesthesie juist aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

5.

Insecticiden uit de groep van neonicotinoïden blokkeren de acetylcholine- receptoren in het centrale zenuwstelsel van insecten.


Welk proces wordt hierdoor direct onmogelijk gemaakt?

a)

afgifte van neurotransmitters

b)

impulsgeleiding

c)

impulsoverdracht

d)

productie van neurotransmitters

6.

Wat is de functie van de kleine hersenen

a)

Evenwicht houden

b)

bewuste gewaarwording van prikkels

c)

Coördinatie van bewegingen

7.

Wat is het verschil tussen een bewuste reactie en een onbewuste reactie (reflex)?

a)

Bij een reflex voel je eerst de pijn en daarna maak je de beweging

b)

Bij een reflex maak je eerst de beweging en daarna voel je pas de pijn

8.

Bij welk type zenuwcel ligt alleen het cellichaam in het centrale zenuwstelsel?

a)

Bij een schakelcel

b)

Bij een gevoelszenuwcel

c)

Bij een bewegingszenuwcel

d)

Bij geen van bovenstaande

9.

Wat is de functie van de grote hersenen?

a)

Coordinatie van bewegingen

b)

Bewuste gewaarwording van omgeving

c)

Evenwicht bewaren

d)

Geen van bovenstaande

10.

Bij welk type zenuwcel ligt alleen het cellichaam in het centrale zenuwstelsel?

a)

Bij een schakelcel

b)

Bij een gevoelszenuwcel

c)

Bij een bewegingszenuwcel

d)

Bij geen van bovenstaande

11.

Wat is de naam van onderdeel en 1 en wat geven de zwarte pijlen (2) aan in dit onderdeel?

a)

1 = celkern, 2 = prikkel

b)

1 = uitloper, 2 = impuls

c)

1 = uitloper, 2 = prikkel

d)

1 = cellichaam, 2 = impuls

12.

Hoe noemen we een elektrisch signaaltje dat van een zintuig af komt?

a)

Prikkel

b)

Neuron

c)

Impuls

d)

Bananen

13.

Welke letter geeft de hersenstam aan?

a)

Q

b)

R

c)

S

d)

T

14.

Wat voor type zenuw is 5?

a)

Gevoelszenuw

b)

Bewegingszenuw

15.

Gemengde zenuwen bevatten ...

a)

Sensorische en motorische zenuwvezels

b)

Sensorische en motorische zenuwen

c)

Schakel neuronen

d)

Geen van bovenstaande, gemengde zenuwen bestaan niet.

16.

Het centraal zenuwstelsel bestaat uit ...

a)

Hersenen

b)

Zenuwen

c)

Ruggenmerg en Hersenen

d)

Zenuwen en Ruggenmerg

17.

De hartslag wordt gecontroleerd door ...

a)

Het willekeurig zenuwstelsel

b)

Het perifeer zenuwstelsel

c)

Het autonoom zenuwstelsel

d)

Geen van bovenstaande

18.

Wat is er aan de hand bij kleurenblindheid?

a)

De kegeltjes zijn niet werkzaam

b)

De staafjes zijn niet werkzaam

c)

De staafjes en de kegeltjes zijn niet werkzaam

d)

De iris is niet werkzaam

19.

Hoe heet de zwakste impuls die je kunt waarnemen?

a)

Drempelwaarde

b)

Adequate prikkel

c)

Gewenning

d)

Motivatie

20.

Welk onderdeel wordt aangegeven met nummer 9?

a)

Het vaatvlies.

b)

Het harde oogvlies.

c)

Het netvlies.

d)

Het hoornvlies.

21.

Wat is de functie van de traanbuis?

a)

Traanvocht maken.

b)

Traanvocht opvangen.

c)

Traanvocht afvoeren naar de neusholte.

d)

Traanvocht afvoeren naar de keelholte.

22.

Wat gebeurt er met de pupil bij fel licht?

a)

De pupil wordt kleiner doordat de kringspieren samentrekken.

b)

De pupil wordt groter doordat de kringspieren samentrekken.

c)

De pupil wordt kleiner doordat de straalsgewijs lopende spieren samentrekken.

d)

De pupil wordt groter doordat de straalsgewijs lopende spieren samentrekken.

23.

Hoe kun je dichtbij scherp zien?

a)

De lens moet boller worden.

b)

De lens moet holler worden.

24.

Hoeveel soorten zintuigcellen zitten er in het netvlies?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

25.

Welke zintuigcellen gebruik je om te zien als er weinig licht is?

a)

Kegeltjes.

b)

Staafjes.

26.

Een pijnpunt is...?

a)

Een vrij uiteinde van een zenuwcel

b)

Een zintuig in de tastknopjes

c)

slechts op enkele plekken in je lichaam te vinden

27.

Als fel licht plots op je netvlies valt, dan...

a)

Spannen je kringspieren aan, waardoor je iris kleiner wordt

b)

Ontspannen je kringspieren waardoor de iris groter wordt

c)

Spannen je kringspieren aan, waardoor de pupil kleiner wordt

d)

Ontspannen je kringspieren, waardoor de pupil groter wordt

28.

De vliegenzwam is een opvallende paddenstoel. Het eten ervan kan leiden tot vergiftigingsverschijnselen. De vliegenzwam bevat stoffen met een bedwelmende en hallucinogene werking. Een van deze stoffen is muscimol, dat als een neurotransmitter werkt.


In afbeelding 5 zie je delen van een aantal zenuwcellen. Vier plaatsen zijn met een cijfer aangegeven.

Welk cijfer geeft de plaats aan waar muscimol werkzaam is waardoor een bedwelmend effect in de hersenen ontstaat?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

29.

Tjeerd de Faber, kinderoogarts van het Oogziekenhuis Rotterdam, legt uit: “Je hebt drie dingen nodig voor pretoogjes: een kleine lidspleet (de ruimte tussen het bovenste en onderste ooglid), een wijde pupil en ophoping van traanvocht. (afbeelding 1)

Als je pret hebt, wordt de lidspleet kleiner doordat je de oogleden naar elkaar toetrekt. Normaal is de ruimte tussen de oogleden rond de tien millimeter. Bij pret verkleint die tot zo’n zeven millimeter.

De pupilgrootte wisselt voortdurend. Vrouwen gebruikten in de 19de eeuw al het plantaardige middel atropine om hun pupillen groter te maken.

Dan de derde factor: door het samenknijpen van de oogleden ontstaat er een ophoping van traanvocht.” Pretoogjes ontstaan als reactie op een plezierige waarneming, bijvoorbeeld als iemand iets grappigs ziet. Diverse cellen worden dan geactiveerd. Voorbeelden van celtypen en celonderdelen zijn:

1 kegeltjes

2 uitlopers van motorische zenuwcellen

3 opperhuidcellen van het ooglid

4 schakelcellen

5 uitlopers in een sensorische zenuw

6 spiercellen


Welke van deze worden dan geactiveerd en in welke volgorde?

a)

1 - 2 - 4 - 5 - 6

b)

1 - 5 - 4 - 2 - 6

c)

3 - 2 - 4 - 5 - 6

d)

3 - 5 - 4 - 2 - 6

30.

Freek besluit om geen alcohol meer te drinken. Daardoor kan hij ook zijn vrienden veilig naar huis brengen. Alcoholgebruik in het verkeer veroorzaakt veel dodelijke slachtoffers. Door een vertraagde reactiesnelheid en een verstoorde motoriek is een persoon die alcohol gedronken heeft, niet in staat om veilig aan het verkeer deel te nemen. Met een blaastest wordt bepaald of iemand te veel alcohol in zijn bloed heeft. Soms wordt een aangehouden persoon gevraagd over een rechte lijn te lopen.


In afbeelding 2 zijn drie delen van de hersenen met nummers aangegeven. Een dronken persoon kan niet goed over een rechte lijn lopen.


Met welk nummer wordt het deel van de hersenen aangegeven dat dan niet goed werkt?

a)

1

b)

2

c)

3

31.

Wat gebeurt er tijdens de depolarisatie in een zenuwceluitloper?

a)

er gaat Na+ de cel in

b)

er gaat Na+ de cel uit

c)

er gaat K+ de cel in

d)

er gaat K+ de cel uit