wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Wonder in water

Total questions: 21

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Water lost niet op in olie omdat ...

a)

ze beiden apolair zijn.

b)

ze beiden polair zijn.

c)

olie apolair en water polair is.

d)

olie polair en water apolair is.

2.

Stoffen opgelost in water die opsplitsen noem je

a)

elektrolyten

b)

geleiders

c)

niet-elektrolyten

d)

isolatoren

e)

niet-geleiders

3.

Welke stoffen geleiden de elektrische stroom goed?

a)

oplossingen van ionverbindingen

b)

metalen

c)

oplossingen van atoomverbindingen

d)

gassen

4.

Een stof die altijd vrije geladen deeltjes bevat is een

a)

geleider

b)

isolator

c)

niet-elektrolyt

d)

elektrolyt

5.

Een geordende verplaatsen van geladen deeltjes noem je

a)

elektrische stroom

b)

geleider

c)

niet-geleider

d)

elektrolyt

6.

De oppervlaktespanning van water is het gevolg van

a)

aantrekking tussen waterdeeltjes en luchtdeeltjes

b)

aantrekking tussen waterdeeltjes onderling

c)

afstoting tussen waterdeeltjes onderling

d)

afstoting tussen waterdeeltjes en luchtdeeltjes

7.

Zee op opgebouwd uit

a)

een polaire kop en een polaire staart

b)

een apolaire kop en een apolaire staart

c)

een polaire kop en een apolaire staart

d)

een apolaire kop en een polaire staart

8.

Duid de correcte bewering(en) aan

a)

polaire stoffen lossen goed op in polaire oplosmiddelen

b)

polaire stoffen lossen goed op in apolaire oplosmiddelen

c)

apolaire stoffen lossen goed op in apolaire oplosmiddelen

d)

apolaire stoffen los goed op in polaire oplosmiddelen

9.

Een apolaire stof is een stof die

a)

enkel positieve polen bezit

b)

enkel negatieve polen bezit

c)

geen positieve en geen negatieve pool bezit

d)

zowel een positieve als een negatieve pool bezit

10.

Een molecule is polair als het

a)

enkel positieve polen bezit

b)

enkel negatieve polen bezit

c)

geen negatieve en geen positieve pool bezit

d)

zowel een positieve als een negatieve pool bezit

11.

Een zuurtegraad tussen 0 en 7 is

a)

zuur

b)

basisch

c)

neutraal

12.

Een zuurtegraad 7 is

a)

neutraal

b)

zuur

c)

basisch

13.

Een zuurtegraad tussen 7 en 14 is

a)

zuur

b)

basisch

c)

neutraal

14.

De zuurtegraad van citroensap is

a)

zuur

b)

neutraal

c)

basisch

15.

De zuurtegraad van soda is

a)

zuur

b)

basisch

c)

neutraal

16.

De zuurtegraad van shampoo is meestal

a)

neutraal

b)

zuur

c)

basisch

17.

Welke stof reageert door te bruisen met azijn?

a)

poedersuiker

b)

bakpoeder

c)

glucose

d)

zout

18.

Wat kan je bepalen met rodekoolsap?

a)

zuurtegraad van vloeistoffen

b)

hardheid van vloeistoffen

c)

H-waarde van vloeistoffen

d)

zoetheid van vloeistoffen

19.

Wat zie je als je rodekoolsap toevoegt aan azijn?

a)

kleurverandering van paars naar blauw

b)

kleurverandering van paars naar roze

c)

kleurverandering van roze naar blauw

d)

bruisend effect

20.

Welke kleurverandering zie je als je rodekoolsap toevoegt aan een base?

a)

van paars naar roze

b)

van paars naar blauw

21.

Wat betekent PH-waarde?

a)

Dit betekent hoeveel gasten er per uur iets bestellen.

b)

Dit zijn de aantal bacteriën die aanwezig zijn in de keuken.

c)

Dit is de zuurtegraad van een vloeistof.