NEW
Font size
WorksheetsKlein vaarbewijs - vaarwater
Total questions: 21
Worksheet time: 22mins
De schaal van een kaart is 1:50.000. De afstand tussen punt A en punt B is op de kaart 7 cm. Hoe groot is de afstand in werkelijkheid?
35 meter
350 meter
3500 meter
35000 meter
Varend op een kanaal kom je bij een brug. Op de waterkaart staat bij deze brug aangegeven: H30; brughoogte in dm boven kanaalpeil: KP=NAP+2 dm. Bij de brug hangt een peilschaal, waarop u afleest dat het waterniveau in het kanaal NAP-2 dm is. Uw schip is 2,8 meter hoog. Hoeveel dm speling hebt u als u er onderdoor vaart?
2 dm
4 dm
6 dm
U nadert een sluis die de verbinding vormt tussen twee kanalen met verschillend peil. Uit de gegevens van de Wateralmanak 2 blijkt, dat aan uw kant van de sluis het kanaalpeil gelijk is aan NAP+1dm en aan de andere kant gelijk aan NAP+3dm. Bij de sluis hangt een peilschaal waarop staat, dat de waterstand aan uw kant momenteel NAP -1 dm is. Laten we aannemen dat dan de waterstand aan de andere kant van de sluis gelijk is aan KP. Uw schip zal dan bij het schutten in de sluis:
2 dm stijgen
3 dm stijgen
4 dm stijgen
5 dm stijgen
In het Merwedekanaal bezuiden de Lek van Vianen naar Arkel bevindt zich een vaste brug. U wilt graag met staande mast (hoogte 7,2 meter) onder die brug door. De in de kaart aangegeven brughoogte is H=75 (KP). KP = NAP +8dm. Verder is vermeld dat de waterhoogtes kunnen variëren tussen NAP +6 dm en NAP + 12 dm. Als u de brug passeert wilt u een minimale veiligheidsmarge van 1 dm hebben. Welke maximale waterstand moet u aflezen bij de sluis van Vianen om veilig met staande mast onder de vaste brug door te kunnen varen?
NAP +10dm
NAP + 12 dm
NAP + 8 dm
Het SIGNI betonningssysteem wordt gebruikt op:
alle binnenwateren
alle Nederlandse binnenwateren met uitzondering van de Waddenzee
alle Nederlandse binnenwateren met uitzondering van de Eems-Dollard, de Waddenzee en de Westerschelde
Laterale markering is de markering die:
alleen aangeeft waar zich obstakels als banken, klippen, wrakken enzo. bevinden
met merktekens aan 1 of beide zijden van het vaarwater de loop van dat vaarwater zichtbaar maakt
met midvaarwaterboeien de loop van dat vaarwater zichtbaar maakt
aangeeft waar niet gevaren mag worden
Sommige boeien zijn van hulpmiddelen voor de navigatie voorzien, zoals bijvoorbeeld racon. Dit is een:
radarreflector
radarantwoordbaken
radiobaken
U vaart op een van de bovenrivieren stroomafwaarts. Recht vooruit ziet u een rode stompe ton. Om in de vaargeul te blijven moet u:
de ton aan bakboord houden
de ton aan stuurboord houden
de ton kan aan beide kanten gepasseerd worden.
In het SIGNI betonningssysteem liggen aan de rechteroever van de rivier:
ronde rode tonnen
spitse groene tonnen
stompe rode tonnen
spitse rode tonnen
Op de bovenrivieren ziet u, als u stroomafwaarts vaart, aand e bakboordzijde kribbakens met als topteken:
driehoek met de punt naar beneden
driekhoek met de punt naar boven
rood-wit-rode rechthoek
U vaart stroomopwaarts in het SIGNI-betonningssysteem en u nadert een ton die er zo uitziet: bolvormig, rood boven groen, rode cilinder als topteken. Om het hoofdvaarwater te blijven volgen, houdt u deze ton aan:
bakboord
stuurboord
maakt niet uit, kan aan beide kanten gepasseerd worden
Op brede vaarwegen kan naast de hoofdbetonning een aanvullende betonning gelegd zijn. Die is stomp en rood-wit gestreept ana de ene kant, en spits en groen-wit gestreept aan de andere kant van het water. Deze vaarweggedeelten worden aanbevolen voor:
diepgaande schepen
kleine schepen (recreatievaart)
schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren
U ziet in het midden van een groot meer een bolvormige, verticaal rood-wit gestreepte boei. Deze boei passeert u:
aan stuurboordzijde
aan bakboordzijde
maakt niet uit, die boei ligt er alleen ter orientering
op veilige afstand vanwege een obstakel waar hij boven ligt
U loopt 's nachts een haven aan. Terwijl u naar binnen vaart, ziet u aan uw bakboordzijde de volgende havenverlichting:
groen vast licht of groen flikkerlicht
rood vast licht of rood flikkerlicht
wit vast licht of wit flikkerlicht
Een isofaselicht (Iso) is een licht:
dat vast is
waarvan het schijnsel korter is dan de verduistering
waarvan het schijnsel langer is dan de verduistering
waarvan het schijnsel even lang is als de verduistering
Varend in de richting van een lichtenlijn (geleidelijn) ziet u het onderste licht links van het bovenste licht. Conclusie?
de lichtenlijn is aan bakboordzijde van de waarnemer
de lichtenlijn is aan stuurboordzijde van de waarnemer
de waarnemer is in de lichtenlijn
Een cardinale boei die aangeeft dat het veilig vaarwater aan de oostkant ligt, heeft de volgende kleuren:
boven geel, onder zwart
boven rood, onder groen
boven groen, onder rood
boven zwart, midden geel, onder zwart
In het cardinale markeringssysteem kan een lichtboei ten oosten van een te markeren punt het volgende lichtkarakter hebben:
Fl 2s
Q(9) 15s
Iso 8s
VQ(3) 5s
Hoe verloopt de vaarroute op de afbeelding?
je komt uit een nevenvaarwater en vaart bij de splitsing het hoofdvaarwater in
je komt uit een nevenvaarwater en blijft na de splitsing in het nevenvaarwater
je komt uit het hoofdvaarwater en vaart na de splitsing het nevenvaarwater in
je komt uit het hoofdvaarwater en vaart na de splitsing in het hoofdvaarwater
De pijlen (zie afbeelding) geven het hoofdvaarwater aan. Welke scheidingston zal bij X geplaatst zijn?
scheidingston 1
scheidingston 2
scheidingston 3
Een schip volgt de witte pijl. De bolle ton is van onderen groen en van boven rood. Wat is juist ten aanzien van hoofdvaarwater - nevenvaarwater?
het schip blijft het hoofdvaarwater volgen
het schip komt uit nevenvaarwater en vaart nevenvaarwater in
het schip komt uit hoofdvaarwater en vaart nevenwater in
het schip komt uit nevenvaarwater en vaart hoofdvaarwater in
