wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Schakelingen

Total questions: 20

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het symbool van en de eenheid van stroomsterkte?

a)

Stroomsterkte (I) in Ampère (A)

b)

Stroomsterkte (V) in Ampère (A)

c)

Stroomsterkte (R) in Volt(V)

d)

Stroomsterkte (I) in Seconde(s)

2.

als je lampje 1 losdraait....

a)

gaat lampje 2 uit

b)

blijft lampje 2 aan

3.

Als je lampje 2 losdraait...

a)

blijft lampje 1 aan

b)

gaat lampje 1 uit

4.

200 kV = ......

a)

200000 V

b)

2000 V

c)

2 V

5.

Wat is het symbool en de eenheid van spanning?

a)

spanning (I) in ampère (A)

b)

spanning (U) in ampère (A)

c)

spanning (I) in volt (V)

d)

spanning (U) in volt (V)

6.

De weerstand van een LDR is afhankelijk van:

a)

Licht

b)

Temperatuur

c)

Spanning

d)

Stroom

7.

De weerstand van een NTC is afhankelijk van:

a)

Licht

b)

Temperatuur

c)

Spanning

d)

Stroom

8.

Wat is het formule om de weerstand te berekenen?

a)

R = I x U

b)

R = U/I

c)

U = I x R

d)

R = V / U

9.

In een relais zit een elektromagneet. Uit welke onderdelen bestaat een elektromagneet?

a)

Koperdraad

b)

ijzeren draad en een plastic kern

c)

Koperdraad en een ijzeren kern

10.
Hoe merk je dat een relais contact maakt
a)
Aan het klik geluid
b)
Door een zoemtoon
c)
Doordat je een vonkje ziet
11.
Hoe verander je de noord en zuidpool van een elektromagneet?
a)
Draai de ijzeren kern om
b)
Wissel de stroomrichting
c)
Draai de spoel om.
12.

Hoeveel stroomkringen heb je nodig bij het gebruik van een relais?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

13.

Wat gebeurt er met de weerstand en de stroomsterkte wanneer er veel licht valt op een LDR?

a)

De weerstand neemt toe en de stroomsterkte blijft gelijk.

b)

De weerstand blijft gelijk en de stroomsterkte neemt toe.

c)

De weerstand neemt af en de stroomsterkte neemt toe.

d)

De weerstand neemt toe en de stroomsterkte neemt af.

14.

Wat gebeurt er met de weerstand van een NTC als de temperatuur stijgt?

a)

De weerstand wordt kleiner.

b)

De weerstand blijft gelijk.

c)

De weerstand wordt groter.

15.

Bereken hoe groot de weerstand is.

a)

15 Ω15\ \Omega

b)

10 Ω10\ \Omega

c)

4 Ω4\ \Omega

d)

12 Ω12\ \Omega

16.

Wat is dit?

a)

Spanningsbron

b)

Schakelaar (dicht)

c)

Lamp

d)

Verbodsbord

17.

Wat is dit?

a)

Spanningsmeter

b)

Stroommeter

c)

Motor (Vroeeeem)

d)

Vergeten

18.

Wat is dit schakelsymbool?

a)

Batterij

b)

Weerstand

c)

Schakelaar (dicht)

d)

Schakelaar (open)

19.

Betty maakt een parallelschakeling met drie lampjes. Ze sluit de schakeling aan op een gelijkspanningsbron. Welk schema hoort bij deze schakeling?

a)
b)
c)
20.

Hoeveel aansluitpunten heeft een transistor?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4