wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Zouten H4

Total questions: 22

Worksheet time: 1hrs 6mins

Name
Class
Date
1.
Hoeveel protonen en hoeveel elektronen bevat een calcium-ion?
a)
20 protonen en 20 elektronen
b)
20 protonen en 22 elektronen
c)
20 protonen en 18 elektronen
d)
20 protonen en 8 elektronen
2.
Hoeveel protonen en hoeveel elektronen bevat een sulfide-ion?
a)
16 protonen en 32 elektronen
b)
16 protonen en 8 elektronen
c)
16 protonen en 18 elektronen
d)
16 protonen en 14 elektronen
3.
Wat is de formule van een carbonaat-ion?
a)
CO32-
b)
CO43-
c)
CO23-
d)
C4-
4.
Wat is de formule van een hydroxide-ion?
a)
H2O-
b)
OH-
c)
OH2-
d)
H+
5.
Geef de formule van het zout kaliumchloride
a)
KCl
b)
KCl2
c)
K2Cl2
d)
K2Cl
6.
Geef de formule van het zout ammoniumsulfaat
a)
NH4SO4
b)
NH4S
c)
(NH4)2SO4
d)
NH4(SO4)2
7.
Geef de naam van het zout CuBr2
a)
koperdibromide
b)
koper(I)bromide
c)
koper(II)bromide
d)
koperbromide(II)
8.
Geef de naam van het zout Mg3(PO4)2
a)
trimagnesiumdifosfaat
b)
magnesium(III)fosfaat
c)
magnesiumfosfaat(II)
d)
magnesiumfosfaat
9.
Geef de formule van het zout aluminiumhydroxide
a)
Al(OH)3
b)
Al(III)OH
c)
AlOH(III)
d)
Al3OH
10.
Geef de formule van het zout kaliumsulfiet
a)
K2SO4
b)
K2SO3
c)
K3SO3
d)
K3(SO3)2
11.
Geef de naam van het zout Li3PO4
a)
lithium(III)fosfaat
b)
lithiumfosfaat
c)
trilithiumfosfaat
d)
lithiumtetrafosfaat
12.
Geef de oplosvergelijking van het zout natriumnitraat
a)
NaNO3 (s) --> Na+ (aq) + NO3- (aq)
b)
Na3NO3 (s) --> 3 Na+ (aq) + NO3- (aq)
c)
Na+ (aq) + NO3- (aq)  --> NaNO3 (s)
d)
NaNO3 (aq)
13.
Geef de indampvergelijking van een oplossing van ijzer(III)bromide
a)
Fe3Br (s) --> 3 Fe+ (aq) + Br- (aq)
b)
Fe3+ (aq) + 3 Br- (aq) --> FeBr3 (s)
c)
3 Fe+ (aq) + Br- (aq) --> Fe3Br (s)
d)
FeBr3 (aq) --> FeBr3 (s)
14.
Geef de juiste notatie van kalkwater
a)
H2O (s)
b)
CaCO3 (aq)
c)
Ca2+ (aq) + 2 OH- (aq)
d)
Ca2+ (aq) + CO32- (aq)
15.

Geef de formule van kwik(II)bromide

a)

Hg(II)Br

b)

HgBr

c)

Hg2Br

d)

HgBr2

16.

Wat is de naam van dit zout: Ca(HCO3)2

a)

calcium(I)waterstofcarbonaat

b)

calciumwaterstofcarbonaat

c)

calciumcarbonaat

d)

calciumdiwaterstofcarbonaat

17.

Een oplossing van natriumchloride en kopersulfaat worden bij elkaar gevoegd. Welk neerslag ontstaat hierbij?

a)

natriumsulfaat

b)

koperchloride

c)

zowel natriumsulfaat als koperchloride

d)

Er ontstaat geen neerslag

18.

Een oplossing van ijzer(III)nitraat en natriumfosfaat worden bij elkaar gevoegd. Welk neerslag ontstaat hierbij?

a)

ijzer(III)fosfaat

b)

natriumnitraat

c)

zowel ijzer(III)fosfaat als natriumnitraat

d)

Er ontstaat geen neerlsag

19.

Welke van onderstaande beweringen over een 0,15 M oplossing van calciumchloride is juist? Als er zijn meerdere goeie antwoorden zijn, moet je ze allemaal aanvinken.

a)

In 1 L zitten 0,15 mol calcium-ionen

b)

in 1 L zitten 0,30 mol chloride-ionen

c)

in 1 L zitten 0,15 mol chloride-ionen

d)

in 1 L zitten 0,05 calcium-ionen

20.
736 gram C2H6 wordt verbrand. Hoeveel kg O2 is er nodig?
a)
5,5
b)
1,4
c)
2,7
d)
2.6
21.
Wat is het massapercentage waterstof in alcohol, C2H5OH?
a)
2,188%
b)
10,85%
c)
10,94%
d)
13,13%
22.
9,81 mmol C6H12O6 wordt ontleed in koolstof en water.
 Hoeveel mol water onstaat er?
a)
58,9
b)
6
c)
0,0589
d)
18,016