wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4 GT Thema 7 Opslag uitscheiding en bescherming

Total questions: 30

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.
Hoe heet het vocht dat zich bevindt tussen de cellen van organen?
a)
Orgaanvocht.
b)
Weefselvloeistof.
c)
Lymfe.
d)
Bloed
2.
Het weefselvloeistof vormt samen met het .... het  interne milieu.
a)
Bloedplasma
b)
Lymfe
c)
Speeksel
d)
Water
3.
In botten wordt .... opgeslagen.
a)
Vet
b)
Bloed
c)
Weefselvloeistof
d)
Glycogeen
4.
In de lever wordt ... opgeslagen.
a)
Glycogeen
b)
Vet
c)
Water
d)
Bloed
5.
Insuline zet ... om in ...
a)
Glycogeen om in glucagon.
b)
Glycogeen om in glucose.
c)
Glucose om in glycogeen.
d)
Glucagon om in glycogeen.
6.
Glucagon zet ... om in ..
a)
Glucose om in glycogeen.
b)
Glycogeen om in glucose.
c)
Glucose om in glycogeen.
d)
Glycogeen om in glucagon.
7.

Via welke organen kunnen we stoffen opnemen in het inwendig milieu?

a)

longen

b)

huid

c)

nieren

d)

darmen

8.
Hoe heet nummer 1?
a)
nierbekken
b)
nierschors
c)
niermerg
d)
uirineleider
9.
Hoe heet nummer 2?
a)
nierbekken
b)
nierschors
c)
niermerg
d)
uirineleider
10.

Wat is de functie van de nierbekken?

a)

filteren van het bloed

b)

filteren van urine

c)

verzamelen van urine

11.

In de spieren is een voorraad brandstof opgeslagen, die bij inspanning kan worden gebruikt.

In welke vorm is brandstof in spieren opgeslagen?

a)

In de vorm van glucose

b)

In de vorm van glycogeen

c)

In de vorm van zetmeel

12.

Met welke letter wordt het niermerg aangegeven?

a)

P

b)

Q

c)

S

d)

U

13.

Met welke letter wordt de nierslagader aangegeven??

a)

R

b)

S

c)

T

d)

U

14.

Eén van de stoffen die door het bloed uit de lever worden afgevoerd, is ureum. Ureum is een afvalstof die ontstaat als de lever eiwitten afbreekt.


Door welk orgaan of door welke organen wordt ureum uitgescheiden?

a)

Door de endeldarm

b)

Door de galblaas

c)

Door de lever

d)

Door de nieren

15.
Uit welke twee lagen bestaat de opperhuid?
a)
opperhuid en kiemlaag
b)
hoornlaag en opperhuid
c)
hoornlaag en kiemlaag
d)
kiemlaag en lederhuid
16.
Welke nummer is haar
a)
1
b)
4
c)
7
d)
8
17.

Welk nummer is de zweetklier

a)

6

b)

3

c)

8

d)

5

18.
Het drukzintuig is een onderdeel van de huid.
a)
Juist
b)
Onjuist
19.
Dankzij zweetklieren kan je lichaam afkoelen.
a)
Juist
b)
Onjuist
20.

Hoe heten de hoornlaag en de kiemlaag samen?

a)

Lederhuid

b)

Opperhuid

c)

Onderhuids bindweefsel

21.

Welke functie heeft talg?

a)

Droogt de huid en het haar uit, voorkomt dat het haar vet wordt

b)

Het is vettig en houdt de huid met haren soepel

22.

Wat gebeurt er bij kippenvel?

a)

De haarspiertjes trekken samen. De haren op de huid gaan rechtop staan. Tussen de haren komt een isolerende luchtlaag.

b)

De haarspiertjes ontspannen. De haren op de huid gaan op de huid liggen. Tussen de haren komt een isolerende luchtlaag.

c)

De haarspiertjes trekken samen. De haren op de huid gaan op de huid liggen. Tussen de haren komt niks.

d)

De haarspiertjesontspannen. De haren op de huid gaan rechtop staan. Tussen de haren komt niks.

23.

Als je het warm krijgt worden de bloedvaten:

a)

wijder, er stroomt meer bloed door de bloedvaten. Daardoor geeft het bloed meer warmte af aan de huid en koel je af.

b)

Nauwer, er stroomt meer bloed door de bloedvaten. Daardoor geeft het bloed meer warmte af aan de huid en koel je af.

24.

Wat is GEEN functie van de huid?

a)

Beschermen tegen uitdroging, tegen de zon en tegen het binnendringen van vuil en ziekteverwekkers.

b)

heeft invloed op de temperatuurregeling van het lichaam.

c)

Het is een zintuig voor warmte, kou, druk, tast en pijn

d)

het regelt de bloedsomloop zodat overal voldoende bloed met zuurstof en voedingsstoffen terecht komt. Dit zorgt voor een mooiere huid

25.

Wat gebeurt er bij inenten?

a)

je krijgt een stofje binnen en je wordt niet ziek

b)

je krijgt verzwakte ziekteverwekkers toegediend waar je lichaam op reageert

26.

Bloedvat A is een

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

27.
Wat is een ander woord voor inenten?
a)
Vaccineren
b)
Weerstand
c)
Immuunsysteem
28.

Als je de waterpokken kreeg toen je jong was en er nu niet meer ziek van wordt, ben je

a)

Gevaccineerd

b)

Kunstmatig immuun

c)

Natuurlijk immuun

d)

besmet

29.
Na een vaccinatie ben je
a)
Ziek
b)
natuurlijk immuun
c)
Kunstmatig immuun
d)
verzwakt
30.
Ziekteverwekkers worden gedood door ?
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedplaatjes
d)
Bloedplasma