wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2 BGM Oefentoets H2 Voeding

Total questions: 49

Worksheet time: 1hrs 6mins

Name
Class
Date
1.

Waarom is het belangrijk om genoeg water te drinken? Kies het antwoord waar alléén de juiste opties staan.

a)

Houd je verteringsstelsel schoon, houd je op het juiste gewicht, vervoert zuurstof

b)

Vervoert voedingsstoffen, houd je verteringsstelsel schoon, regelt je lichaamstemperatuur

c)

Houd je op het juiste gewicht, zorgt dat je haar blijft glanzen, regelt je lichaamstemperatuur

d)

Regelt je lichaamstemperatuur, vervoert voedingsstoffen en afvalstoffen

2.

Welk antwoord bevat alleen voedingsmiddelen?

a)

Eiwitten, vetten, koolhydraten

b)

Vitaminepillen en water

c)

Fruit, groente en water

d)

Broodje gezond, sinaasappelsap en koekjes

3.

Welke stellingen zijn juist?

1) Voedingsvezels zijn belangrijk om te poepen

2) Kaas is vet en bevat daarom veel zetmeel

3) Als je in de groei zit heb je evenveel energie nodig als normaal

a)

Alleen stelling 1 is juist

b)

Stelling 1 en 2 zijn juist

c)

Stelling 2 en 3 zijn juist

d)

Alle stellingen zijn juist

e)

Alle stellingen zijn onjuist

4.

Kees en Pieter eten allebei een omelet (287kcal) en gaan daarna een half uur hardlopen. Uit onderzoek blijkt dat Kees zijn omelet dan al verbrand heeft, en Pieter niet. Door welke van deze redenen zou dat NIET kunnen komen?

a)

Kees heeft een langzamere stofwisseling, hij verbrand zijn eten langzamer.

b)

Kees is groter en gespierder dan Pieter.

c)

Kees heeft een snellere stofwisseling, hij verbrand zijn eten sneller.

5.

Waarom is ontbijten belangrijk?

a)

Je hebt dan lang niet gegeten en je hersenen hebben vetten nodig om weer op te starten.

b)

Je hebt dan lang niet gegeten en je hersenen hebben koolhydraten en suikers nodig om weer op te starten.

c)

Je hebt dan lang niet gegeten en je spieren hebben koolhydraten en suikers nodig om weer op te starten.

d)

Je hebt dan lang niet gegeten en je hersenen hebben eiwitten nodig om weer op te starten.

6.

Wat wordt meegenomen in de berekening van je BMI?

a)

Je eetpatroon, je vetverdeling en je gewicht

b)

Je gewicht, je lengte en je geslacht

c)

Je geslacht, je eetpatroon en je gewicht

d)

Je lengte, je gewicht en je spiermassa

7.

Wat is het verschil tussen conserveren en consumeren?

a)

Bij consumeren wordt eten langer houdbaar gemaakt, bij conserveren wordt eten opgegeten.

b)

Bij consumeren wordt eten opgegeten, bij conserveren wordt eten in de vriezer bewaard.

c)

Bij consumeren wordt eten opgegeten, bij conserveren wordt eten langer houdbaar gemaakt.

d)

Ze betekenen hetzelfde.

8.

Wat is een eko keurmerk?

a)

Dat zegt dat het product door de bio-industrie is gemaakt.

b)

Dat zegt dat het product door biotechnologie is aangepast.

c)

Dat zegt dat het product met biologische landbouw is gemaakt.

9.

Wat is bio-industrie?

a)

Zo efficiënt mogelijk de voedingsmiddelen maken.

b)

Zo veel mogelijk dieren of planten op dezelfde plek laten groeien.

c)

Genetische eigenschappen aan planten of dieren geven, zodat ze groter, sneller of lekkerder worden.

d)

De dieren/planten zo veel mogelijk met rust laten tijdens het groeien.

10.

Sophie (65kg) eet op een verjaardag 1 punt appeltaart (292kcal). Daarna fietst ze 45minuten naar huis. Met fietsen verbrand ze ongeveer 78 kcal per tien minuten. Heeft ze de appeltaart verbrand als ze thuis aankomt?

a)

Ja

b)

Nee

11.

Wat gebeurt er als een voedingsmiddel over de THT datum gaat?

a)

THT betekent tenminste houdbaar tot en daarom kan je het product daarna niet meer eten.

b)

THT betekent tenminste houdbaar tot en daarna kan het product bederven, maar het kan ook nog goed zijn

c)

THT betekent te gebruiken tot, dus het product is sowieso bedorven na deze datum

d)

THT betekent te gebruiken tot, maar het product kan nog goed zijn daarna.

12.

Wanneer groeien bacteriën het slechtst?

a)

Bij een temperatuur van 37 graden, met veel zout of zuur en met voldoende zuurstof

b)

Bij een temperatuur van 4 graden en met voldoende zuurstof

c)

Bij een temperatuur van 90 graden, met weinig zuurstof

d)

Bij een temperatuur onder de 0 graden, met weinig zuurstof

13.

Waar staat BMI voor?

a)

Body Mass Index

b)

Broodjes Met Informatie

c)

Buik Massa Indicatie

14.

Welke van de hieronder beschreven processen is geen voorbeeld van conserveren?

a)

Drogen

b)

Steriliseren (van melk)

c)

In zuur leggen

d)

Fermenteren van bijvoorbeeld groenten

e)

Castreren (van melk)

15.

Bij welk geloof of geloven is het verboden om varkensvlees te eten?

a)

Jodendom, islam en christendom

b)

Alleen de islam

c)

Jodendom en islam

d)

Jodendom, islam en hindoeïsme

16.

Vitamines zijn stoffen die ons lichaam niet zelf aanmaakt

a)

Ja dat klopt, maar er zijn wel een paar uitzonderingen die wél aangemaakt worden door ons lichaam

b)

Ja dat klopt helemaal

c)

Nee dat klopt niet, we kunnen veel vitamines zelf aanmaken

17.
Op een etiket staat E120.Wat betekent een E-nummer?
a)
Een productiecode.
b)
Een door de Europese unie goedgekeurde hulpstof.
c)
Het aantal grammen.
18.
Op een etiket staat een houdbaarheidsdatum. Wat zou er op vlees staan?
a)
ten minste houdbaar tot 12-02-2017
b)
te gebruiken tot12-02-2017
19.

Vitamines en mineralen dienen voornamelijk als

a)

beschermende stoffen

b)

bouwstoffen

c)

brandstoffen

d)

voedingsmiddelen

20.

Vis is een voedingsstof en koolhydraten zijn een voedingsmiddel

a)

Juist

b)

Onjuist

21.

Insecten bevatten veel...

a)

Koolhydraten

b)

Vetten

c)

Eiwitten

d)

Water

22.

Hoe worden bruine bonen geconserveerd?

a)

Drogen

b)

In zuur gelegd

c)

In blik

d)

In de koelkast bewaren

23.

Welke term gebruiken we voor het veranderen van eigenschappen van bijvoorbeeld koeien en tomaten?

a)

Biologische landbouw

b)

Biotechnologie

c)

Bio-industrie

d)

Bio-transgenisatie

24.

Wat is GEEN eetstoornis?

a)

Anorexia Nervosa

b)

Orthorexia

c)

PICA

d)

Obesitas

25.

Brood bevat geen zetmeel.

a)

Juist

b)

Onjuist

26.

In welke voedingsmiddelen zitten veel vetten?

a)

Kaas en haring

b)

Kip en biefstuk

c)

Verzadigd vet

d)

Rijst en macaroni

27.

Hieronder staan twee beweringen:

I. Door voedsel te drogen kun je het langer houdbaar maken, omdat bacterien en schimmels niet kunnen leven zonder zuurstof.

II. Door voedsel vacuum te verpakken kan je het langer houdbaar maken, omdat bacterien en schimmels dan heel langzaam groeien

a)

Alleen I is waar

b)

Alleen II is waar

c)

I en II zijn beide waar

d)

I en II zijn beide niet waar

28.

Welk van de volgende stoffen zijn energierijke stoffen?

a)

Koolhydraten en vetten

b)

Koolhydraten en eiwitten

c)

Eiwitten en vetten

d)

Vitaminen en vetten

29.

Van welke bouwstof heb je per dag de minste nodig?

a)

Water

b)

Eiwtten

c)

Vetten

d)

Mineralen

30.

Deze vitamine wordt (ook) gemaakt onder invloed van licht.

a)

Vitamine D

b)

Vitamine A

c)

Vitamine B

d)

Vitamine C

31.

Welke voedingsmiddelen zijn beter voor de goede werking van de darmen?

a)

plantaardige

b)

dierlijke

32.

Elk jaar lopen zo’n 680 000 mensen in Nederland een voedselvergiftiging op. Dit wordt meestal veroorzaakt door het eten van bedorven voedsel en kan leiden tot koorts, diarree, braken en buikpijn.

Wanneer is de kans op voedselbederf het grootst: in de winter of in de zomer?

a)

in de zomer

b)

in de winter

33.

Drie methoden om voedselbederf door bacteriën en schimmels tegen te gaan, zijn invriezen, pasteuriseren en steriliseren.

Bij welke van deze methoden kan voedsel het langst houdbaar worden gemaakt?

a)

invriezen

b)

pasteuriseren

c)

steriliseren

34.

In het product in de afbeelding komen veel voedingsvezels voor.

Juist. Onjuist.

a)

juist

b)

onjuist

35.

dit sap maakt van grote vetdruppels kleine vetdruppels

a)

maagsap

b)

gal

c)

alvleessap

d)

speeksel

36.

Welke voedingsmiddelen zijn beter voor de goede werking van de darmen?

a)

plantaardige

b)

dierlijke

37.
in nummer 3 wordt verteerd: 
a)
zetmeel
b)
vetten
c)
eiwitten
d)
water
38.

Een voedselvergiftiging word veroorzaakt door

a)

Schimmels

b)

Bacteriën

c)

Kleurstoffen

d)

Zoetstoffen

39.

Welke organen zijn betrokken bij het verteringsstelsel?

a)

Maag, lever, dikke darm en hart

b)

Dikke darm, dunne darm, alvleesklier en nier

c)

Nier, galblaas, dunne darm en hart

d)

Galblaas, lever, twaalfvingerige darm en dikke darm

40.

Waar worden de voedingstoffen uit je eten vooral opgenomen?

a)

dunne darm

b)

dikke darm

c)

maag

d)

twaalfvingerige darm

41.

Wat is een eetstoornis

a)

Wanneer je eetpatroon anders dan normaal is

b)

Dan eet je minder dan dat je zou moeten eten

c)

Dan eet je meer dan dat je zou moeten eten

d)

Dan eet je helemaal niet

42.

Wat is anorexia

a)

Wanneer je eetpatroon anders dan normaal is

b)

Dan eet je minder dan dat je zou moeten eten

c)

Dan eet je meer dan dat je zou moeten eten

d)

Dan eet je helemaal niet of bijna niks

43.

Welke uitspraak beschrijft emulgatie het beste?

a)

Emulgatie is het afbreken van vetbubbels.

b)

Emulgatie is het afbreken van vetten.

c)

Emulgatie is het kleiner maken van vetten.

d)

Emulgatie is het kleiner maken van vetbubbels.

44.

Van welke bouwstoffen heb je het meest nodig? Zoek op van meest naar minst

a)

water - eiwitten - mineralen

b)

mineralen - eiwitten - water

c)

water - mineralen - eiwitten

d)

eiwitten - mineralen - water

45.

In de afbeelding is het verband tussen de temperatuur en de activiteit van een bepaald enzym in een diagram weergegeven.

Bij welke temperaturen is dit enzym tijdelijk onwerkzaam?

a)

Alleen bij temperaturen onder de 10 graden

b)

Alleen bij temperaturen onder de 35 graden

c)

Alleen bij temperaturen boven de 50 graden

d)

zowel bij temperaturen onder de 10 graden als bij temperaturen boven de 50 graden.

46.

Veel koolsoorten bevatten vezels. Koolhydraten in die vezels worden door menselijke enzymen in het verteringskanaal niet verteerd. Bacteriën in het verteringskanaal breken deze onverteerbare koolhydraten wel af. In welk deel van het verteringskanaal komen veel bacteriën voor die onverteerbare resten afbreken?

(a)  

47.
Zie afbeelding (gif). Welke bewegingen die de lengte- en kringspieren afwisselend in de darmwand maken, worden hier afgebeeld?
a)
Periscopische beweging
b)
Periostaltische beweging
c)
Peristaltische beweging
48.
Welke voedingsstof(fen) wordt/ worden door enzymen in maagsap verteerd?
a)
Koolhydraten en eiwitten
b)
Eiwitten en zetmeel
c)
Eiwitten
d)
Vetten en koolhydraten
49.

Deze voedingsstoffen moeten wel verteerd worden

a)

mineralen water en vet

b)

eiwitten vet en vitamines

c)

eiwitten vet en koolhydraten

d)

koolhydraten eiwitten en water