wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

V6 afweer oefenen

Total questions: 10

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Antigenen zijn

a)

kleine moleculen bestemd voor de afbraak van schadelijke stoffen.

b)

kleine moleculen bestemd voor de bescherming van de eigen cellen.

c)

grote moleculen die gewoonlijk lichaamsvreemd zijn voor het organisme waar ze binnendringen.

d)

grote moleculen die cellen uit een organisme beschermen tegen schadelijke stoffen en/of organismen.

2.

Welke van de volgende soorten cellen is verantwoordelijk voor de snelle secundaire immuunrespons?

a)

geheugen cellen

b)

cytotoxische T-lymfocyten

c)

macrofagen

d)

cytokinen

e)

plasma cellen

3.

Als je immuun bent voor een ziekte dan

a)

circuleren voortdurend antilichamen tegen die ziekte in je bloed

b)

kunnen bepaalde lymfocyten heel snel de juiste antilichamen maken

c)

is je niet-specifieke afweersysteem versterkt

d)

worden B-lymfocyten gestimuleerd om heel snel ziekteverwekkers te omsluiten en vernietigen

4.

Worden bij het tot stand komen van actieve immunisatie tegen een bepaalde ziekteverwekker geheugencellen gevormd? En bij passieve immunisatie?

a)

bij geen van beide

b)

alleen bij actieve immunisatie

c)

alleen bij passieve immunisatie

d)

bij beide

5.

Men heeft een zeer kleine hoeveelheid bacteriën geïsoleerd van een soort die bij koeien een bepaalde ziekte verwekt. De beschikbare bacteriën worden in enkele gezonde koeien geïnjecteerd. Hieronder zijn vier handelingen vermeld.

I Uit de geïnfecteerde koeien worden antistoffen tegen de bacterie geïsoleerd.

II Uit de geïnfecteerde koeien worden bacteriën geïsoleerd en kunstmatig verzwakt.

III Antistoffen tegen deze bacterie worden in de te immuniseren koeien geïnjecteerd.

IV Een geringe dosis van de verzwakte bacteriën wordt in de te immuniseren koeien geïnjecteerd.


Welke van de bovengenoemde handelingen moet men uitvoeren en in welke volgorde om een groot aantal koeien actief te immuniseren tegen deze ziekte?

a)

I, III

b)

II, IV

c)

I, III, II, IV

d)

II, IV, I, III

6.

Een bepaald immuunglobuline is betrokken bij allergische reacties. Dit immuunglobuline is:

a)

IgG

b)

IgA

c)

IgD

d)

IgE

7.

Verkoudheid kan worden veroorzaakt door verschillende virussen. Wanneer iemand van een verkoudheid die door een virus is veroorzaakt, is genezen, kan hij vrij kort daarna opnieuw verkouden worden als gevolg van een virusinfectie. Hiervoor worden verschillende verklaringen geopperd.

I De antistoffen die tegen verkoudheidsvirussen worden gevormd, zijn slechts enkele uren in het lichaam werkzaam.

II De antistoffen die tegen het ene verkoudheidsvirus zijn gevormd, bieden geen bescherming tegen een ander verkoudheidsvirus.

III Na de eerste verkoudheid is de hoeveelheid antigenen in zijn lichaam toegenomen.

IV Er zijn alleen antistoffen tegen een verkoudheidsvirus in het lichaam aanwezig, zolang dat virus in het lichaam actief is.


Welke van deze verklaringen is juist?

a)

verklaring I

b)

verklaring II

c)

verklaring III

d)

verklaring IV

8.

Door welk of welke cellen wordt het virus-antigeen herkend?

a)

cytotoxische T-cellen

b)

plasmacellen

c)

T-helpercellen

d)

macrofagen

9.

De immuundiffusietest is een manier om onbekende antigenen te identificeren. In een petrischaal wordt een laagje gelatine gedaan, waar eiwitten doorheen kunnen diffunderen. In de gelatinelaag worden gaten gemaakt waarin je een druppel serum of antigeen doet. Als de druppel serum antistof bevat tegen het antigeen in een ander gat, ontstaat tussen deze beide gaten een neerslag (zie figuur linkerkant). Een eiwit kan niet zowel een antistof als een antigeen zijn. Serum S bevat antistoffen tegen verschillende antigenen. Een immuundiffusietest wordt met dit serum S gedaan en twee onbekende eiwitten M en N. Het resultaat is aan de rechterkant getekend.

a)

Serum S bevat antistof tegen eiwit M.

b)

Serum S bevat antistof tegen eiwit M.

c)

Eiwit M is een antistof tegen eiwit N

d)

Eiwit M is een antistof tegen eiwit N

e)

Eiwitten M en N zijn hetzelfde.

10.

De immuundiffusietest is een manier om onbekende antigenen te identificeren. In een petrischaal wordt een laagje gelatine gedaan, waar eiwitten doorheen kunnen diffunderen. In de gelatinelaag worden gaten gemaakt waarin je een druppel serum of antigeen doet. Als de druppel serum antistof bevat tegen het antigeen in een ander gat, ontstaat tussen deze beide gaten een neerslag (zie figuur linkerkant). Een eiwit kan niet zowel een antistof als een antigeen zijn. Serum S bevat antistoffen tegen verschillende antigenen. Een immuundiffusietest wordt met dit serum S gedaan en twee onbekende eiwitten M en N. Het resultaat is aan de rechterkant getekend.


In een andere immuundiffusietest wordt het antigeen van de tyfusbacil getest met serum S. Zal dan tussen deze twee een neerslag ontstaan of is dit niet te voorspellen?

a)

er zal geen neerslag ontstaan

b)

er zal wel een neerslag ontstaan

c)

dat is niet te voorspellen