wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Gouden Eeuw

Total questions: 29

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een oorzaak van het ontstaan van de Oostzeehandel?

a)

Steden groeiden, boeren konden niet genoeg graan produceren voor iedereen en daarom werd het uit het Oostzeegebied gehaald

b)

De Republiek wilde meer verdienen met het verhandelen van graan en hout en daarom haalden ze een overschot uit het Oostzeegebied

c)

Oogsten in de Republiek waren mislukt, daardoor was er niet genoeg voedsel en moest het uit het Oostzeegebied worden gehaald

2.

VOC is de afkorting van...

a)

Verenigde Oost-Indiase Compagnie

b)

Verenigde Compagnie van het Oosten

c)

Verenigde Oostende Compagnie

d)

Verenigde Oost-Indische Compagnie

3.

De VOC had een handelsmonopolie in Azië. Dit hield in dat zij het alleenrecht hadden om handel te drijven in dat gebied.

a)

juist

b)

onjuist

4.

De VOC mocht zonder toestemming van de bestuurders in de Republiek oorlog voeren in Azië

a)

Juist

b)

Onjuist

5.

Wie is hier afgebeeld?

a)

Jan Pieterszoon Coen

b)

Michiel de Ruyter

c)

Antonie van Leeuwenhoek

d)

Christiaan Huygens

6.

In welke producten handelde de WIC?

a)

Slaven en producten van plantages (katoen, specerijen)

b)

Specerijen en slaven

c)

Slaven en producten van plantages (katoen, tabak, suikerriet)

d)

Zijde, Porselein en producten van plantages (katoen, tabak, suikerriet)

7.

Welke twee groepen mensen vluchtten vooral in de 17e eeuw naar de Republiek en waarom?

a)

Protestantse en Joodse vluchtelingen uit het zuiden van Europa (reden:godsdienst) en Antwerpse handelaren (reden:oorlog en handel)

b)

Katholieke vluchtelingen uit het zuiden van Europa (reden:geloof) en Antwerpse handelaren (reden:oorlog en handel)

c)

Protestantse en Joodse vluchtelingen uit het Zuiden (reden:geloof) en Franse handelaren (reden:oorlog en handel)

d)

Seizoensarbeiders uit het Heilige Roomse Rijk (nu Duitsland) en Engelse handelaren (reden:Acte van Navigatie)

8.

Stelling: in de 17e eeuw is een wereldeconomie ontstaan waar wij nu ook nog veel van terug zien.

a)

Juist

b)

Onjuist

9.

Wat betekent het begrip tolerantie?

a)

Verdraagzaamheid tegenover mensen die anders denken en handelen dan dat jij doet, en die mensen in hun waarde laten

b)

Mensen vrij laten denken in hun geloof, zolang ze het maar niet uiten

c)

Mensen eerst anders laten denken dan dat jij doet, maar ze uiteindelijk wel leren hetzelfde te denken

d)

Mensen laten onderzoeken en ontdekken wat ze willen, ook al is het tegen de wil van de kerk in.

10.

Stelling: de Republiek had in de 17e eeuw godsdienstvrijheid

a)

Juist

b)

Onjuist

11.

Waarom was de Republiek in de 17e eeuw een goede plaats voor wetenschappers?

a)

De Republiek was tolerant. Sommige onderzoekers voelden zich zo vrij dat ze zeiden dat je niet alle wijsheid en kennis in de Bijbel kon vinden en gingen ontdekken waar dan wel.

b)

De Republiek had godsdienstvrijheid. Hierdoor mochten wetenschappers onderzoeken wat ze wilden.

c)

De protestantse kerk had veel geld en betaalde daarmee veel wetenschappers om belangrijke ontdekkingen te doen

12.

Over welke tijd gaat dit hoofdstuk?

a)

17e eeuw: de Gouden eeuw

b)

16e eeuw: de Gouden eeuw

c)

18e eeuw: de wetenschappelijke revolutie

d)

16e eeuw: de tachtigjarige oorlog

13.

Wanneer was het rampjaar?

a)

1972

b)

1672

c)

1726

d)

2019

14.
In Amsterdam worden allerlei goederen opgeslagen in pakhuizen. Vanuit daar worden ze verder verhandeld. Amsterdam is een...
a)
wereldstad
b)
beurs
c)
multinational
d)
stapelmarkt
15.
Waar hoort deze afbeelding bij?
a)
VOC
b)
WIC
16.

Op de afbeelding zie je een aantal specerijen, zoals nootmuskaat, kaneel, peper en kruidnagel.


Horen deze handelsproducten bij de VOC of WIC?

a)

VOC

b)

WIC

17.

Wat is het grootste verschil tussen de VOC en WIC?

a)

De WIC had een monopolie op de handel in Azië

b)

De VOC handelt in slaven en de WIC in specerijen.

c)

De WIC had een monopolie op de handel tussen Zuid-Afrika en Zuid-Amerika.

d)

De VOC handelde in goud, zilver, wapens.

18.
Rijke mensen gaven hun geld uit aan?
a)
Grote huizen, dure meubels, schilderijen en zilver.
b)
Lekker eten, arme mensen, schilderijen.
c)
Auto's, sieraden, kleding en porselein.
d)
Boeken, dure meubels, specerijen en sieraden. 
19.

Welke bewering over de armenzorg is NIET juist?

a)

Armen die zelf schuld hadden konden rekenen op hulp van de stad.

b)

Armen leefden buiten de stadsmuren.

c)

Armen die schuld hadden kwamen terecht in tucht- of pesthuizen.

d)

Er gold geen gastvrijheid voor heidenen en handlezers.

20.

Welke bewering over kunst tijdens de Gouden Eeuw is NIET waar?

a)

Veelal gebruikte thema's waren stillevens, zeegezichten of alledaagse taferelen.

b)

Zelfs de middenklasse liet zich portretteren.

c)

Het maken van een portret kon soms wel maanden duren en kostte daardoor veel geld.

21.

Welke landen vielen de Republiek aan in het Rampjaar 1672? Selecteer de juiste landen

a)

Engeland

b)

Spanje

c)

Frankrijk

d)

Duitsland

22.

Wat was de Oostzeehandel?

a)

Handel met Indië

b)

Handel met Afrika

c)

Handel met Amerika

d)

Handel met Scandinavische landen

23.

Wat betekent het begrip 'stapelmarkt'?

a)

Handel voeren met de hele wereld

b)

Concurreren met andere bedrijven

c)

Een ander woord voor slavenhandel

d)

Plaats waar producten tijdelijk opgeslagen worden om van daaruit verder verhandeld te worden

24.

Wat hoort bij Christiaan Huygens? Selecteer de juiste antwoorden.

a)

Werkte bij de VOC

b)

Het slingeruurwerk

c)

Werkte bij de WIC

d)

De telescoop

e)

Wiskunde, natuurkunde & sterrenkunde

25.

Waarom werd de adel gedwongen op het paleis van Lodewijk XIV te verblijven?

a)

Dan kon de koning de adel in de gaten houden

b)

Dan kon de koning makkelijker met zijn ministers overleggen

c)

Dan kon de adel makkelijker belasting betalen

d)

Dan kon de adel de koning goed controleren

26.

Welke uitspraak is van een absolute koning?

a)

Ik regeer alleen en hoef niemand te gehoorzamen

b)

Ik regeer samen met mijn ministers en overleg met ze

c)

Ik luister naar wat het volk wil

d)

Mijn ministers regeren voor mij en ik moet ze gehoorzamen

27.

Wat was de bijnaam van Lodewijk XIV?

a)

Zonnekoning

b)

Zomerkoning

c)

Sterrendans

d)

Maanlanding

28.

Lodewijk XIV: dat is dus....

a)

de veertiende

b)

de zestiende

c)

de twaalfde

d)

de vierentwintigste

29.

Wat is absolutisme?

a)

De vorst heeft niets te zeggen

b)

De vorst zijn wil is wet, hij moet naar niemand luisteren

c)

De vorst zijn macht is gebonden aan het parlement

d)

De vorst heeft een ceremoniële functie