wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

13. Thema Goederen hst. 4 Voorraad

Total questions: 25

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Welke uitspraak over de minimumvoorraad is waar?

a)

= aantal uitgaande producten tussen twee leveringen

b)

= veiligheidsvoorraad * aantal uitgaande artikelen tussen twee leveringen

c)

Bij het bereiken ervan moet er besteld worden

d)

De minimumvoorraad * 0,5 is het moment waarop je moet bestellen

2.

Welke uitspraak over de veiligheidsvoorraad is waar?

a)

= aantal uitgaande artikelen * gemiddelde levertijd

b)

= aantal uitgaande producten tussen twee leveringen

c)

Bij het bereiken ervan moet er besteld worden

d)

De veiligheidsvoorraad is bedoeld om onverwachte vraag op te vangen

3.

Welke uitspraak over de maximumvoorraad is waar?

a)

= aantal uitgaande artikelen + veiligheidsvoorraad

b)

= maximaal aantal producten dat in het magazijn past

c)

Je kunt niet meer op voorraad hebben dan de maximumvoorraad

d)

Je wilt niet meer op voorraad hebben dan de maximumvoorraad

4.

Welke voorraadcategorie zorgt voor 5% van de totale omzet?

a)

A-groep

b)

B-groep

c)

C-groep

5.

Welke voorraadcategorie zorgt voor 15% van de totale omzet?

a)

A-groep

b)

B-groep

c)

C-groep

6.

Welke voorraadcategorie zorgt voor 80% van de totale omzet?

a)

A-groep

b)

B-groep

c)

C-groep

7.

In welke voorraadcategorie zit 20% van het totale assortiment?

a)

A-groep

b)

B-groep

c)

C-groep

8.

In welke voorraadcategorie zit 30% van het totale assortiment?

a)

A-groep

b)

B-groep

c)

C-groep

9.

In welke voorraadcategorie zit 50% van het totale assortiment?

a)

A-groep

b)

B-groep

c)

C-groep

10.

Hoe noem je de manier van inventarisatie waarbij telkens één groep artikelen uit de voorraad geteld wordt? Selecteer de twee juiste antwoorden.

a)

Cycle count

b)

Integraal

c)

Steekproef

d)

Systematische inventarisatiemethode

11.

Hoe noem je de manier van inventarisatie waarbij een willekeurige groep artikelen uit de voorraad geteld wordt?

a)

Cycle count

b)

Integraal

c)

Steekproef

d)

Systematische inventarisatiemethode

12.

Hoe noem je de manier van inventarisatie waarbij de volledige voorraad geteld wordt?

a)

Cycle count

b)

Integraal

c)

Steekproef

d)

Systematische inventarisatiemethode

13.

Welke uitspraak over de economische voorraad is waar?

a)

= fysieke voorraad -/- voorinkopen -/- voorverkopen

b)

De winkelier loopt risico op prijsstijgingen en -dalingen

c)

Is hetzelfde als de pijplijnvoorraad

d)

Kan berekend worden aan de hand van de omzetsnelheid

14.

Hoe heet de voorraad die in de winkel én het magazijn aanwezig is? Selecteer de drie juiste antwoorden.

a)

Fysieke voorraad

b)

Pijplijnvoorraad

c)

Technische voorraad

d)

Verkoopvoorraad

e)

Werkelijke voorraad

15.

Welke uitspraken over de administratieve voorraad zijn waar? Selecteer de twee juiste antwoorden.

a)

= fysieke voorraad +/+ voorinkopen -/- voorverkopen

b)

Is de voorraad die volgens het systeem aanwezig zou moeten zijn

c)

Is hetzelfde als de technische voorraad

d)

Wordt aangepast in geval van derving

16.

Bij het vaststellen van de …… moet rekening gehouden worden met de beschikbare opslagruimte.

a)

gewenste eindvoorraad

b)

maximumvoorraad

c)

minimumvoorraad

d)

veiligheidsvoorraad

17.

Het balansverschil is het verschil tussen

a)

de administratieve voorraad en de economische voorraad

b)

de administratieve voorraad en de fysieke voorraad

c)

de economische voorraad en de fysieke voorraad

d)

de economische voorraad en de technische voorraad

18.

Welke uitspraken over de servicegraad zijn waar? Selecteer de twee juiste antwoorden.

a)

= aantal producten in assortiment / aantal producten op voorraad

b)

= aantal producten op voorraad / aantal producten in assortiment

c)

Hoge servicegraad = hoge veiligheidsvoorraad

d)

Klanten verwachten een hoge servicegraad bij weinig concurrentie

19.

Wat bereken je met deze formule?

a)

Gemiddelde voorraad

b)

Omzetduur

c)

Omzetsnelheid

d)

Servicegraad

20.

Hoe verlopen bestellingen volgens het BS-systeem?

a)

Variabel bestelmoment, met een variabele bestelgrootte

b)

Variabel bestelmoment, met een vaste bestelgrootte

c)

Vast bestelmoment, met een variabele bestelgrootte

d)

Vast bestelmoment, met een vaste bestelgrootte

21.

Hoe verlopen bestellingen volgens het BQ-systeem?

a)

Variabel bestelmoment, met een variabele bestelgrootte

b)

Variabel bestelmoment, met een vaste bestelgrootte

c)

Vast bestelmoment, met een variabele bestelgrootte

d)

Vast bestelmoment, met een vaste bestelgrootte

22.

Hoe verlopen bestellingen volgens het sS-systeem?

a)

Variabel bestelmoment, met een variabele bestelgrootte

b)

Variabel bestelmoment, met een vaste bestelgrootte

c)

Vast bestelmoment, met een variabele bestelgrootte

d)

Vast bestelmoment, met een vaste bestelgrootte

23.

Welke uitspraak over het sQ-systeem is waar?

a)

De bestelgrootte is afhankelijk van maximumvoorraad

b)

Er wordt besteld zodra de veiligheidsvoorraad is bereikt

c)

Het bestelmoment is afhankelijk van vraag naar product

d)

Op een vast moment wordt beoordeeld of een product bijbesteld moet worden

24.

Welke uitspraak over retourneren is waar?

a)

Geretourneerde producten moet je afboeken

b)

Geretourneerde producten moeten terug naar de leverancier of het DC

c)

Oude apparaten worden alleen ingenomen bij nieuwe aankoop

d)

Zonder aankoopbon kan er niet geretourneerd worden

25.

Producten die door klanten geretourneerd worden, moet je

a)

afboeken

b)

inboeken

c)

terugboeken

d)

wegboeken