wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

werkwoordspelling K3A H5

Total questions: 50

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.
Welk werkwoord hoort in de zin?
Wij _________ door de straten.
a)
zwerfen
b)
zwerven
c)
zwerve
d)
zwerfe
2.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

Je broer (vermijden) ........... eten.

a)

vermijd

b)

vermeed

c)

vermijt

d)

vermijdt

3.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

(braden) .............. jij alvast de hamburgers?

a)

braai

b)

braadt

c)

braad

d)

berad

4.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

Het (gebeuren) .......... zelden dat jij je mond houdt.

a)

gebeurd

b)

gebeurt

c)

gebeurdt

d)

gebeurde

5.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

De arts (verbinden) ............ zijn knie.

a)

verbindt

b)

verbint

c)

verbond

d)

verbind

6.
melden
De leerling ............ zich gisteren bij de receptie.
a)
melden
b)
melde
c)
meldde
d)
.meldt
7.
maken
Alan en Fay hebben al hun huiswerk..........
a)
gemaaktt
b)
gemaakd
c)
maakte
d)
gemaakt
8.
kopen
Lisa heeft nieuwe schoenen  ........
a)
gekopen
b)
kocht
c)
gekocht
d)
kochdt
9.
werken
Yara ........ graag alleen.
a)
werkdde
b)
werkd
c)
werkt
d)
work
10.
afsnijden
Hans ............ elke dag een stukje worst .....
a)
snijdt af
b)
sneed af
c)
snijd af
d)
snijdde
11.
knoeien
Het broertje van Chadi heeft op de tafel.............
a)
geknoeid
b)
geknoeidde
c)
knoeide
d)
knoeien
12.
vt: Moet je een 't' schrijven als de laatste letter niet in ''t kofschip' zit?
a)
Ja
b)
Nee
13.

Jan (worden) morgen 17 jaar oud.

a)

word

b)

wordt

14.

De stam van staan (en bestaan, weerstaan, enz.) is sta.

a)

Waar

b)

Niet waar

15.

De stam van doen (en omdoen, uitdoen, enz.) is doe.

a)

Waar

b)

Niet waar

16.

De stam van een werkwoord vind je door van het hele werkwoord -en af te halen.

a)

Waar

b)

Niet waar

17.

Werkwoordsvormen als gefietst, gekocht, gebeurd en verdeeld noemen we voltooide deelwoorden.

a)

Waar

b)

Niet waar

18.

Huilend liep Marloes naar de bushalte.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord

c)

onvoltooid deelwoord

d)

infinitief

19.

Huilend liep Marloes naar de bushalte.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord

c)

onvoltooid deelwoord

d)

infinitief

20.

Vanmorgen heb ik zakgeld aan mijn vader gevraagd.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord

c)

onvoltooid deelwoord

d)

infinitief

21.

Vanmorgen heb ik zakgeld aan mijn vader gevraagd.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord

c)

onvoltooid deelwoord

d)

infinitief

22.

Zij zal het wel gedaan hebben.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord

c)

onvoltooid deelwoord

d)

infinitief

23.

Zij zal het wel gedaan hebben.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord

c)

onvoltooid deelwoord

d)

infinitief

24.
Wat is het voltooid deelwoord van horen?
a)
Gehoort
b)
Gehoordt
c)
Gehoord
d)
Gehoren
25.
Wat is de juiste vorm van het werkwoord:Wij hebben deze zomer twee weken druiven  (plukken) in Frankrijk.
a)
geplukt
b)
geplukd
c)
geplukken
d)
geplukdt
26.

Mijn broertje (raden) altijd het goede antwoord! (tt)

a)

raad

b)

raat

c)

raadde

d)

raadt

27.

Ik (vrezen) dat mijn geheim ontdekt wordt. (tt)

a)

vreez

b)

vreezde

c)

vrees

d)

vreesde

28.

Waarom (praten) jullie tijdens de les? (vt)

a)

praten

b)

pratten

c)

praatten

d)

praaten

29.

Het liefst (reizen) ik naar Florida! (vt)

a)

reis

b)

reiste

c)

reizen

d)

reisde

30.

Wat is het voltooid deelwoord van 'bakken'?

a)

gebak

b)

gebaken

c)

gebakt

d)

gebakken

31.

Wat is het voltooid deelwoord van 'poetsen'?

a)

gepoetst

b)

gepoetsen

c)

gepoetsd

32.

Welke zin staat in de voltooide tijd?

a)

Ik heb de tafel gedekt.

b)

Ik dekte de tafel.

c)

Ik dek de tafel.

33.

Welke zin staat in de voltooide tijd?

a)

Gisteren zag hij zijn vriend weer.

b)

Hij heeft zijn vriend weer gezien.

c)

Hij ziet zijn vriend vanavond.

34.

Ik ben als eerste gefinisht

a)

Voltooid deelwoord

b)

Infinitief

c)

Gebiedende wijs

d)

Onvoltooid deelwoord

35.

De persoonsvorm....

a)

...staat altijd vooraan.

b)

....kan niet van tijd veranderen.

c)

,,,,verandert mee wanneer je de zin van tijd verandert.

d)

.....staat alleen in een vraagzin.

36.

Het voltooid deelwoord...

a)

...staat altijd vooraan.

b)

....kan niet van tijd veranderen.

c)

....verandert mee wanneer je de zin van tijd veranderd.

d)

....staat alleen in vragende zinnen.

37.

Ik ........... er niets aan.

a)

vin

b)

vind

c)

vint

d)

vindt

38.

Een voltooid deelwoord heeft altijd een hulpwerkwoord nodig.

a)

Klopt!

b)

Welnee!

39.

Een voltooid deelwoord begint altijd met 'be' of 'ge'.

a)

Inderdaad!

b)

Nee hoor, niet altijd.

40.

Ik heb al te lang .......

a)

gewacht

b)

gewachd

c)

gewachten

41.

't exkofschip gebruik je om te zien of je bij een persoonsvorm in de verleden tijd 'te(n)' of 'de(n)' achter de ik-vorm moet schrijven.

a)

Klopt!

b)

Klopt niet

42.

Sterke werkwoorden:

a)

veranderen niet van klank in de verleden tijd.

b)

veranderen wel van klank in de verleden tijd.

c)

schrijf je met 'dt'

43.

Het infinitief is:

a)

de vorm van het werkwoord die de tijd aangeeft

b)

de vorm die de zin in de voltooide tijd zet

c)

het hele (onvervoegde) werkwoord

44.

Heb je je kamer al (stofzuigen)?

a)

stofgezogen

b)

gestofzuigd

c)

gestofzuigdt

45.

Wat is de stam van 'pakken'?

a)

pak

b)

pakke

c)

pakk

d)

pakt

46.

Wat is de stam van 'bewijzen'?

a)

bewijs

b)

bewijze

c)

bewijst

d)

bewijz

47.

Welke stam is fout geschreven?

a)

halen-hal

b)

smoezen-smoez

c)

lezen-lez

d)

zwemmen-zwem

48.

De oudste jongen speelt op de gitaar.

Wat is het werkwoord?

a)

gitaar

b)

speelt

c)

op

d)

jongen

49.

Wat is de persoonsvorm?

Hij woont hier al zijn hele leven.

a)

hij

b)

leven

c)

woont

d)

hier

50.

Hij heeft gisteren zijn vinger ... (verbranden).

a)

Verbrant

b)

Verbrandt

c)

Verbrand