NEW
Font size
Worksheetswerkwoordspelling K3A H5
Total questions: 50
Worksheet time: 26mins
Wij _________ door de straten.
Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.
Je broer (vermijden) ........... eten.
vermijd
vermeed
vermijt
vermijdt
Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.
(braden) .............. jij alvast de hamburgers?
braai
braadt
braad
berad
Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.
Het (gebeuren) .......... zelden dat jij je mond houdt.
gebeurd
gebeurt
gebeurdt
gebeurde
Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.
De arts (verbinden) ............ zijn knie.
verbindt
verbint
verbond
verbind
De leerling ............ zich gisteren bij de receptie.
Alan en Fay hebben al hun huiswerk..........
Lisa heeft nieuwe schoenen ........
Yara ........ graag alleen.
Hans ............ elke dag een stukje worst .....
Het broertje van Chadi heeft op de tafel.............
Jan (worden) morgen 17 jaar oud.
word
wordt
De stam van staan (en bestaan, weerstaan, enz.) is sta.
Waar
Niet waar
De stam van doen (en omdoen, uitdoen, enz.) is doe.
Waar
Niet waar
De stam van een werkwoord vind je door van het hele werkwoord -en af te halen.
Waar
Niet waar
Werkwoordsvormen als gefietst, gekocht, gebeurd en verdeeld noemen we voltooide deelwoorden.
Waar
Niet waar
Huilend liep Marloes naar de bushalte.
persoonsvorm
voltooid deelwoord
onvoltooid deelwoord
infinitief
Huilend liep Marloes naar de bushalte.
persoonsvorm
voltooid deelwoord
onvoltooid deelwoord
infinitief
Vanmorgen heb ik zakgeld aan mijn vader gevraagd.
persoonsvorm
voltooid deelwoord
onvoltooid deelwoord
infinitief
Vanmorgen heb ik zakgeld aan mijn vader gevraagd.
persoonsvorm
voltooid deelwoord
onvoltooid deelwoord
infinitief
Zij zal het wel gedaan hebben.
persoonsvorm
voltooid deelwoord
onvoltooid deelwoord
infinitief
Zij zal het wel gedaan hebben.
persoonsvorm
voltooid deelwoord
onvoltooid deelwoord
infinitief
Mijn broertje (raden) altijd het goede antwoord! (tt)
raad
raat
raadde
raadt
Ik (vrezen) dat mijn geheim ontdekt wordt. (tt)
vreez
vreezde
vrees
vreesde
Waarom (praten) jullie tijdens de les? (vt)
praten
pratten
praatten
praaten
Het liefst (reizen) ik naar Florida! (vt)
reis
reiste
reizen
reisde
Wat is het voltooid deelwoord van 'bakken'?
gebak
gebaken
gebakt
gebakken
Wat is het voltooid deelwoord van 'poetsen'?
gepoetst
gepoetsen
gepoetsd
Welke zin staat in de voltooide tijd?
Ik heb de tafel gedekt.
Ik dekte de tafel.
Ik dek de tafel.
Welke zin staat in de voltooide tijd?
Gisteren zag hij zijn vriend weer.
Hij heeft zijn vriend weer gezien.
Hij ziet zijn vriend vanavond.
Ik ben als eerste gefinisht
Voltooid deelwoord
Infinitief
Gebiedende wijs
Onvoltooid deelwoord
De persoonsvorm....
...staat altijd vooraan.
....kan niet van tijd veranderen.
,,,,verandert mee wanneer je de zin van tijd verandert.
.....staat alleen in een vraagzin.
Het voltooid deelwoord...
...staat altijd vooraan.
....kan niet van tijd veranderen.
....verandert mee wanneer je de zin van tijd veranderd.
....staat alleen in vragende zinnen.
Ik ........... er niets aan.
vin
vind
vint
vindt
Een voltooid deelwoord heeft altijd een hulpwerkwoord nodig.
Klopt!
Welnee!
Een voltooid deelwoord begint altijd met 'be' of 'ge'.
Inderdaad!
Nee hoor, niet altijd.
Ik heb al te lang .......
gewacht
gewachd
gewachten
't exkofschip gebruik je om te zien of je bij een persoonsvorm in de verleden tijd 'te(n)' of 'de(n)' achter de ik-vorm moet schrijven.
Klopt!
Klopt niet
Sterke werkwoorden:
veranderen niet van klank in de verleden tijd.
veranderen wel van klank in de verleden tijd.
schrijf je met 'dt'
Het infinitief is:
de vorm van het werkwoord die de tijd aangeeft
de vorm die de zin in de voltooide tijd zet
het hele (onvervoegde) werkwoord
Heb je je kamer al (stofzuigen)?
stofgezogen
gestofzuigd
gestofzuigdt
Wat is de stam van 'pakken'?
pak
pakke
pakk
pakt
Wat is de stam van 'bewijzen'?
bewijs
bewijze
bewijst
bewijz
Welke stam is fout geschreven?
halen-hal
smoezen-smoez
lezen-lez
zwemmen-zwem
De oudste jongen speelt op de gitaar.
Wat is het werkwoord?
gitaar
speelt
op
jongen
Wat is de persoonsvorm?
Hij woont hier al zijn hele leven.
hij
leven
woont
hier
Hij heeft gisteren zijn vinger ... (verbranden).
Verbrant
Verbrandt
Verbrand
