wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

CVA/beroerte

Total questions: 16

Worksheet time: 32mins

Name
Class
Date
1.

FAST staat voor:

a)

Face Arm Smile Time

b)

Face Arm Speech Time

c)

Fast Arm Speech Tongue

d)

Fast Arm Speech Time

2.

Welk stelling over de Ziekte van Bell is juist?

a)

De aangezichtszenuw werkt niet meer goed door een ontsteking

b)

De mondhoek staat omhoog door een verlamming van de aangezichtsspreien

c)

De verschijnselen van deze Ziekte zijn blijvend

d)

De oorzaak van het probleem zit in de spieren van het gezicht

3.

Bij een beroerte krijgt een deel van de hersenen geen of te weinig bloed (en dus geen zuurstof)

a)

JUIST

b)

ONJUIST

4.

Als iemand een beroerte heeft in de rechterhelft van zijn hersenen dan:

a)

Kunnen er aan beide kanten van het lichaam uitvalverschijnselen optreden

b)

Is er meestal geen sprake van uitvalverschijnselen

c)

Zijn er uitvalverschijnselen aan de linker kant van het lichaam

d)

Zijn er uitvalverschijnselen aan de rechter kant van het lichaam

5.

Een TIA is een:

a)

Een tijdelijke afsluiting van een bloedvat in de hersenen, veroorzaakt door een bloeding

b)

Een tijdelijke afsluiting van een bloedvat in de hersenen, veroorzaakt door een bloedprop

c)

Een tijdelijke afsluiting van een bloedvat in de hersenen, veroorzaakt door een vernauwing

6.

Bij links boezemfibrilleren kunnen er bloedstolsels ontstaan in en terecht komen in de hersenen

a)

JUIST

b)

ONJUIST

7.

Wat zijn GEEN risicofactoren voor een CVA?

a)

Hartziekten en roken

b)

Hoge bloeddruk en ernstig overgewicht

c)

Hoog cholesterol en diabetes

d)

Het gebruik van bloedverdunners

8.

Bij dit uitvalverschijnsel is er sprake van een taalstoornis. De patiënt kan moeilijk op woorden komen, hapert of kan niet zeggen wat hij wil.

a)

Afasie

b)

Apraxie

c)

Dyspraxie

d)

Neglegt

9.

Bij dit uitvalverschijnsel heeft de patiënt moeite met articulatie. De spieren van lippen, tong, gehemelte en stembanden kunnen niet meer goed worden gebruikt.

a)

Apraxie

b)

Dysartrie

c)

Hemianopsie

d)

Neglegt

10.

Bij dit uitvalverschijnsel heeft de patiënt geen of minder aandacht voor één zijde van de ruimte en/of het lichaam. De patiënt heeft dit zelf niet door.

a)

Dysartrie

b)

Hemianopsie

c)

Neglegt

d)

Sensibiliteitsstoornis

11.

Bij dit uitvalverschijnsel is er van ieder oog is een stukje gezichtsveld uitgevallen. De patiënt ziet aan één kant de kwart tot de helft niet meer.

a)

Hemianopsie

b)

Hemiaparese

c)

Neglegt

d)

Sensibiliteitsstoornis

12.

Bij dit uitvalverschijnsel er er sprake van een gevoelsstoornis. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat de patiënt geen pijn, warmte of kou meer voelt.

a)

Afasie

b)

Apraxie

c)

Dysatrie

d)

Sensibiliteitsstoornis

13.

Bij een herseninfarct kan een bloedverdunner via een infuus in de bloedvaten worden gespoten. Het medicijn lost stolsels in de bloedvaten op. Het voorkomt dat bloedvaten (verder) dicht gaan zitten. Deze behandeling noemt men een:

a)

Dotteren

b)

Katherisatie

c)

Trombolyse

d)

Stentplaatsting

14.

Bij neurologische uitval niet door hernia, wat langer dan 6 uur duurt, koppel je de urgentie:

a)

U1

b)

U2

c)

U3

d)

U4

15.

Bij neurologische uitval of een coördinatiestoornis die niet door een hernia komt en korter dan 6 uur bestaat, koppel je de urgentie:

a)

U1

b)

U2

c)

U3

d)

U4

16.

Met welke onderzoeken kan een CVA uitgesloten worden? Dus wanneer weet je het pas echt zeker?

LET OP: MEERDERE ANTWOORDEN ZIJN JUIST

a)

Bloedprikken

b)

CT- scan

c)

MRI-scan

d)

Röntgenfoto

e)

Lichamelijk onderzoek