wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H9H10H11.mavo4

Total questions: 66

Worksheet time: 49mins

Name
Class
Date
1.

Snelheid bereken je met...

a)

...afgelegde afstand gedeeld door de tijd

b)

...tijd gedeeld door de afgelegde afstand

c)

... afstand gedeeld door 3,6

2.

Snelheid geven we altijd weer als... (2 antwoorden)

a)

km/u

b)

m/s

c)

m/min.

d)

km/s

3.

De gemiddelde reactietijd van een mens is...

a)

... 1 minuut

b)

... 1 seconde

c)

... 1 milliseconde

4.

De stopafstand = .... + .... (wat staat er op de puntjes)

a)

reactieafstand + remweg

b)

remweg + reactie tijd

c)

1 + remweg

5.

Je hebt 2 minuten de tijd - Gebruik rekenmachine!

13,9 m/s is omgerekend : .... km/h

a)

10,50 km/h

b)

50,04 km/h

c)

38,66 km/h

d)

3,86 km/h

6.
Arbeid hangt af van de benodigde kracht en verplaatsing. Arbeid bereken je met de formule:
a)
W=F*s
b)
W=0,5m*v
c)
W=0,5m*v2
d)
W=F/s
7.
Vormen van mechanische energie zijn...
a)
kinetische en zwaarte-energie
b)
beweging- en veerenergie.
c)
kinetische, zwaarte- en veerenergie.
d)
veer-, zwaarte- en kernenergie.
8.
Stookwaarde is hetzelfde als
a)
warmte.
b)
verbrandingswarmte.
c)
chemische energie
d)
stralingsenergie.
9.
Kinetische energie bereken je met:
a)
Ek= F*s
b)
Ek= m*v
c)
Ek= 0,5m*v
d)
Ek= 0,5m*v2
10.
Uit welke formule kun je het vermogen bepalen?
a)
W=P*t
b)
P=U*I*t
c)
P=E*t
d)
P=m*c*T
11.
Rendement is...
a)
nuttige energie.
b)
nuttig vermogen.
c)
energieverlies.
d)
minder dan 100%.
12.
Luchtweerstand is evenredig met
a)
 de massa.
b)
 de snelheid.
c)
het dubbele van de snelheid.
d)
het kwadraat van de snelheid.
13.
Wat gebeurt er wanneer een kracht een positieve arbeid levert op een systeem
a)
Dan is er nooit energieoverdracht
b)
dan neemt de energie van dat systeem toe
c)
dan neemt de energie van dat systeem af
d)
dan verandert de totale hoeveelheid energie
14.
Wat gebeurt er wanneer een kracht een negatieve arbeid levert op een systeem
a)
Dan is er nooit energieoverdracht
b)
dan neemt de energie van dat systeem toe
c)
dan neemt de energie van dat systeem af
d)
dan verandert de totale hoeveelheid energie
15.
Een auto rijdt remmend een helling af. Welke uitspraak is correct?  
a)
De Ep en de Ek zullen toenemen
b)
De Ep zal toenemen en de Ek zal afnemen
c)
De Ep zal afnemen en de Ek zal toenemen
d)
De Ep en de Ek zullen afnemen
16.
Het rendement 
a)
Is nooit groter dan 100%
b)
Laat ons weten welke energievorm bruikbaar is 
c)
Ligt tussen 50% en 100%
d)
Heeft als eenheid de joule
17.
De kWh
a)
is een eenheid van energie
b)
is een eenheid van kracht
c)
is een eenheid van rendement
d)
is een eenheid van vermogen
18.

Welke van onderstaande stoffen is géén fossiele brandstof?

a)

Hout

b)

Steenkool

c)

Olie

d)

Aardgas

19.

Welke energie-vorm wordt er omgezet bij de verbranding van aardgas?

a)

Fossiele energie

b)

Verbrandingsenergie

c)

Chemische energie

d)

Potentiële energie

20.

Waarom heeft een windturbine een maximaal elektrisch vermogen?

a)

Omdat anders de spanning te hoog wordt

b)

Omdat de molen anders op hol slaat

c)

Omdat de wieken dan door de geluidsbarrière gaan

d)

Omdat de wettelijk toegestane draaisnelheid niet overschreden mag worden

21.

Welke uitspraak is juist,

Een zonnecel van 0,025kW levert elke seconde .... energie.

a)

25 Joule elektrische energie

b)

25 Watt elektrische energie

c)

25 kilowattuur elektrische energie

d)

25 Ampère elektrische energie

22.
Welk onderdeel maakt het mogelijk om de energiestroom te onderbreken tijdens het schakelen?
a)
Versnellingsbak
b)
Motor
c)
Koppeling
d)
Vliegwiel
23.

gemiddelde snelheid bereken je als volgt...

a)

gemiddelde snelheid = (snelheid1 + snelheid2) : 2

b)

gemiddelde snelheid = totale afstand : totale tijd

c)

situatie afhankelijk, de soort beweging is bepalend

24.

Gelijke elektrische ladingen:

a)

Trekken elkaar aan

b)

Stoten elkaar af

c)

Hangt van de soort lading af

25.

De eenheid van spanning is:

a)

Ampere

b)

Volt

c)

Ohm

26.

Als de weerstand constant is en de spanning wordt hoger, dan....

a)

Wordt de stroom lager

b)

Blijft de stroom gelijk

c)

Neemt de stroom af

27.

Als de weerstand hoger wordt en de spanning blijft gelijk, dan....

a)

Wordt de stroom hoger

b)

Blijft de stroom gelijk

c)

Neemt de stroom af

28.

De weerstand van een LDR is afhankelijk van:

a)

Licht

b)

Temperatuur

c)

Spanning

d)

Stroom

29.

De weerstand van een NTC is afhankelijk van:

a)

Licht

b)

Temperatuur

c)

Spanning

d)

Stroom

30.
De polariteit van de inductiespanning bij klem a is:
a)
Positief
b)
Negatief
31.
Bepaal de richting van de inductiestroom bij b
a)
Naar je toe (uit het scherm)
b)
Van je af (In het scherm)
32.
Wat is de periodetijd van onze netspanning?
a)
0,10 ms
b)
100 ms
c)
20 ms
d)
0,002 s
33.
Lees de periodetijd af in de afbeelding. Dit is:
a)
0,25 s
b)
0,75 s
c)
0,45 s
d)
0,5 s
34.
Lees de periodetijd af in de afbeelding. Dit is:
a)
0,25 s
b)
0,75 s
c)
0,45 s
d)
0,5 s
35.

Een steen valt op de grond door

a)

zwaartekracht

b)

spierkracht

c)

veerkracht

d)

wrijvingskracht

36.

Meteorieten verbranden in de dampkring door

a)

zwaartekracht

b)

spierkracht

c)

veerkracht

d)

wrijvingskracht

37.

Een elastiekje wil terug naar z'n oorspronkelijke vorm door

a)

zwaartekracht

b)

spierkracht

c)

veerkracht

d)

wrijvingskracht

38.

Waaruit bestaat de versnelling van je fiets?

a)

tandwielen en drijfstang

b)

tandwielen en ketting

c)

ketting en schakelaar

d)

ketting en drijfstang

39.

Wat is NIET waar over je fiets?

a)

Tandwielen verdelen je trapkracht.

b)

Tandwielen laten je fiets harder rijden.

c)

Je ketting brengt de beweging over van tandwiel naar tandwiel.

d)

Met 'n klein tandwiel vóór moet je harder trappen.

40.

Betty maakt een parallelschakeling met drie lampjes. Ze sluit de schakeling aan op een gelijkspanningsbron. Welk schema hoort bij deze schakeling?

a)
b)
c)
41.

Bekijk de getekende schakeling. Bereken stroom I2. Welke berekening in juist?

a)

I2 = 1,3A – 0,4A – 0,6A = 0,3A

b)

I2 = 1,3A + 0,4A + 0,6A = 2,3A

c)

I2 = 0,4A + 0,6A = 1,0A

42.

In de schakeling is op twee plaatsen de stroomsterkte gemeten. De meetresultaten staan bij de schakeling vermeld. Welke twee beweringen over de stroomsterkte in deze schakeling zijn juist?

a)

De stroomsterkte bij A is gelijk aan de totale stroomsterkte.

b)

De stroomsterkte bij B is gelijk aan de stroomsterkte bij C

c)

Bij D is de stroomsterkte het grootst.

d)

Bij D is de stroomsterkte het kleinst.

43.

De weerstand van een NTC kan in korte tijd sterk veranderen. Wanneer wordt de weerstand van een NTC groter?

a)

als de temperatuur van de NTC daalt

b)

als de temperatuur van de NTC stijgt

c)

als er meer licht op de NTC valt

d)

als er minder licht op de NTC valt

44.

Marije maakt tijdens een practicum een serieschakeling met een led en een weerstand. Wanneer zij alles aangesloten heeft, brandt de led niet. Wat kan er verkeerd zijn gegaan?

a)

een led kun je niet in een serieschakeling zetten

b)

een led kun je niet op een batterij aansluiten

c)

de led is verkeerd aangesloten

d)

een led brand alleen maar bij hoge spanning

45.

De weerstand van een LDR kan in korte tijd sterk veranderen. Wanneer wordt de weerstand van een LDR kleiner?

a)

als de temperatuur van de LDR daalt

b)

als de temperatuur van de LDR stijgt

c)

als er meer licht op de LDR valt

d)

als er minder licht op de LDR valt

46.

Welk schakelonderdeel kun je in een thermometer als sensor gebruiken?

a)

een diode

b)

een LDR

c)

een NTC

d)

een relais

47.

In welk apparaat zit een LDR als sensor?

a)

een inbraakalarm

b)

een thermometer

c)

een buitenlantaarn

d)

een koelkast

48.

Een natuurkundedocent bouwt een elektrische schakeling. Hij wil laten zien dat leidingwater elektrische stroom geleidt. Er hangen twee geleidende staven in het bekerglas met water. Als het water stroom geleidt, gaat de gloeilamp branden. Wat is de functie van het relais?

a)

het relais meet de spanning

b)

het relais meet de stroomsterkte

c)

het relais werkt als schakelaar

d)

het relais werkt als spanningsdeler

49.

In een bus zijn verschillende drukschakelaars aangebracht. Als je zo'n schakelaar even indrukt, gaat er een lamp voor in de bus branden. De buschauffeur weet dan dat hij bij de volgende halte moet stoppen. De lamp blijft branden totdat de chauffeur een schakelaar op het dashboard indrukt (die tegelijk de deuren open laat gaan). In de afbeelding zie je een schakelschema van deze 'busschakeling'. Welke bewering is waar?

a)

De knop van de buschauffeur is in deze schakeling aangegeven met S3.

b)

Als je op knop S2 drukt, gaat de lamp L branden.

c)

De 'busschakeling' werkt ook als je relais 1 verwijdert.

50.

welke bewering is onwaar?

a)

Een relais klikt bij het schakelen en een transistor schakelt geluidloos.

b)

Een transistor is goedkoper dan een relais.

c)

Een apparaat dat op wisselstroom werkt, kun je schakelen met een relais.

d)

Een apparaat dat werkt op 230 V kun je schakelen met een transistor.

51.

Karel bouwt de schakeling die hierboven is weergegeven. De schakeling bevat een spanningsbron, een schakelaar, een lampje en een condensator. Karel sluit de schakelaar enige tijd. Daarna zet hij de schakelaar weer open. Wat gebeurt er als Karel de schakelaar weer openzet?

a)

de condensator gaat kapot

b)

het lampje blijft gewoon branden

c)

het lampje gaat na enige tijd uit

d)

het lampje gaat onmiddellijk uit

52.

Op een condensator staat 0,2 μF. Wat is juist?

a)

de condensator heeft een capaciteit van 0,2 μF

b)

de condensator heeft een vermogen van 0,2 μF

c)

door de condensator loopt een stroom van 0,2 μF

d)

op de condensator staat een spanning van 0,2 μF

53.

Dit is een

a)

LDR

b)

NTC

c)

LED

d)

Diode

54.

Dit is een

a)

LDR

b)

NTC

c)

LED

d)

Diode

55.

Dit is een

a)

NTC

b)

LDR

c)

LED

d)

Diode

56.

Dit is een

a)

NTC

b)

LDR

c)

LED

d)

Diode

57.

Een sensor kun je vergelijken met

a)

iets doen

b)

na denken

c)

waarnemen

58.

verwerker kun je vergelijken met:

a)

iets doen

b)

na denken

c)

waarnemen

59.

actuator kun je vergelijken met:

a)

iets doen

b)

na denken

c)

waarnemen

60.

actuator kun je vergelijken met:

a)

iets doen

b)

na denken

c)

waarnemen

61.

Emitter stroom bestaat uit ?

a)

basisstroom

b)

collector stroom

c)

basis + collector stroom

d)

basis - collector stroom

62.
aardolie, aardgas en steenkool zijn fossiele brandstoffen.
a)
juist
b)
fout
63.
energie kan je omzetten van de ene vorm in de andere. bij een elektriciteitscentrale wordt...
a)
warmte energie omgezet in elektrische energie
b)
elektrische energie omgezet in lichtenergie
c)
chemische energie omgezet in elektrische energie
64.
bij de omzetting van energie in een elektriciteitscentrale wordt een deel van de energie ook omgezet in niet nuttige energie...
a)
lichtenergie
b)
bewegingsenergie
c)
warmte energie
65.
een zonnepaneel zet
a)
warmte energie om in elektrische energie
b)
stralingsenergie om in elektrische energie
66.
zonnepanelen geven een rendement van 17%. Wat wil dit zeggen?
a)
dat er 83% nuttige energie wordt geproduceerd
b)
dat er 83% niet nuttige energie wordt geproduceerd