wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H4.Licht.Mavo3

Total questions: 66

Worksheet time: 1hrs 9mins

Name
Class
Date
1.

Licht is energie. Licht straalt. Welke soort straling is het zichtbare licht?

a)

Elektromagnetische Straling

b)

Röntgen Straling

c)

Radiogolven

2.
Wat gebeurt er met licht dat op een voorwerp schijnt? 
a)
Transmissie, Reflectie en Terugkaatsing
b)
Reflectie, Absorptie en Transmissie
c)
Terugkaatsing, Transmissie en Doorlating
3.
Bij een convergente lichtbundel komen de lichtstralen samen. 
a)
Waar
b)
Niet Waar 
4.
Bij een evenwijdige bundel gaan de lichtstralen uit elkaar.
a)
Waar
b)
Niet Waar
5.
Breking van licht treed op bij een grensoppervlak tussen twee stoffen.  
a)
Waar
b)
Niet Waar 
6.
De blinde vlek:
a)
Bevat geen zintuigcellen.
b)
Is bij blinde mensen groter.
c)
Is bij blinde mensen niet aanwezig.
d)
Bevat minder zintuigcellen.
7.
De iris:
a)
Regelt de druk in het oog.
b)
Regelt de hoeveelheid licht in het oog.
c)
Regelt de richting van het oog.
d)
Regelt de spierspanning in het oog.
8.
Het boller en platter worden van de lens noemen we:
a)
Accomodaty
b)
Accommoderen
c)
Accomolatie
d)
Accodilatie
9.
De blinde vlek:
a)
Bevat geen zintuigcellen.
b)
Is bij blinde mensen groter.
c)
Is bij blinde mensen niet aanwezig.
d)
Bevat minder zintuigcellen.
10.
Met welk nummer is het glasachtige lichaam aangegeven?
a)
11
b)
2
c)
8
d)
12
11.
Met welk nummer is het glasachtige lichaam aangegeven?
a)
11
b)
2
c)
8
d)
12
12.
Met welk nummer wordt de pupil aangeven?
a)
11
b)
10
c)
12
d)
8
13.
De blinde vlek:
a)
Bevat geen zintuigcellen.
b)
Is bij blinde mensen groter.
c)
Is bij blinde mensen niet aanwezig.
d)
Bevat minder zintuigcellen.
14.
De iris:
a)
Regelt de druk in het oog.
b)
Regelt de hoeveelheid licht in het oog.
c)
Regelt de richting van het oog.
d)
Regelt de spierspanning in het oog.
15.

Als de lensspiertjes zijn ontspannen dan is de ooglens:

a)

Bol

b)

Plat

c)

Dat is niet te zeggen.

16.
Het beeld dat zich op het netvlies vormt is:
a)
Omgekeerd
b)
Het zelfde
c)
Groter
17.
Het boller en platter worden van de lens noemen we:
a)
Accomodaty
b)
Accomoderen
c)
Accomolatie
d)
Accodilatie
18.

Bij een verziend oog zijn de lensspieren ...

a)

Ontspannen

b)

Strak getspannen

19.

Als je verziend bent dan zijn de ogenspieren ....

a)

In rust toestand

b)

Geaccommodeerd

20.

Als je verziend bent dan zijn de lenzen

a)

Boller

b)

Zo plat mogelijk

21.

Wat stelt volgende tekening voor?

a)

verziend

b)

bijziend

c)

blindheid

d)

staar

22.

Wat houdt de vorm van ons oog mooi rond?

a)

hoornvlies

b)

wimpers

c)

iris

d)

harde oogvlies

23.

Met welke lens wordt verziendheid gecorrigeerd?

a)

holle

b)

bolle

24.
De blinde vlek:
a)
Bevat geen zintuigcellen.
b)
Is bij blinde mensen groter.
c)
Is bij blinde mensen niet aanwezig.
d)
Bevat minder zintuigcellen.
25.
De iris:
a)
Regelt de druk in het oog.
b)
Regelt de hoeveelheid licht in het oog.
c)
Regelt de richting van het oog.
d)
Regelt de spierspanning in het oog.
26.

Het boller en platter worden van de ooglens noemen we:

a)

Accomodaty

b)

Accommoderen

c)

Accomolatie

d)

Accodilatie

27.
Het beeld dat zich op het netvlies vormt is:
a)
Omgekeerd
b)
Het zelfde
c)
Groter
28.
Bij ver zien zijn de lenzen
a)
Boller
b)
Zo plat mogelijk
29.

Jochem heeft een bril met een dioptrie van +2 is Jochem bij-, ver- of oudziend?

a)

verziend

b)

bijziend

c)

oudziend

30.
Je wilt een lampje afbeelden op een groot scherm. Je gebruikt een positieve lens, f = 11 cm. Waar moet je het scherm neerzetten om een scherp beeld te krijgen? Het lampje staat 20 cm voor de lens. Rond af op twee decimalen.
a)
24,33 cm
b)
24,45 cm
c)
22,80 cm
d)
20,55 cm
e)
19,67 cm
31.
Iemand staat op 5,0 m afstand voor een camera. Het beeld op de beeldchip van de camera is 7,0 mm groot. In werkelijkheid de persoon 1,8 m lang.
Wat is de vergroting?
a)
0,0038x
b)
0,038x
c)
0,38x
d)
3,8x
32.
Jan koopt 100 bananen en een lens met een brandpuntsafstand van 11 cm. Jan zet een voorwerp aan de ene kant op 15 cm. Op hoeveel cm van de moet jan een papiertje hangen om het beeld scherp te zien? Jan voelt zich misselijk door de bananen.
a)
6,3461 cm
b)
41,25 cm
c)
4
d)
0,0242
33.

De brekingsindex van water is 1,33. Een lichtstraal valt vanuit lucht het water in. De straal maakt een hoek van 15 graden met het wateroppervlak. Bereken de hoek van breking.

a)

11 graden

b)

20 graden

c)

47 graden

d)

er is geen gebroken straal, maar totale weerkaatsing

34.
Een lens heeft een sterkte van 25 dpt. Bereken de brandpuntsafstand van de lens in cm.
a)
0,0040 cm
b)
0,040 cm
c)
0,40 cm
d)
4,0 cm
e)
40 cm
35.
Met een lens wordt een afbeelding van een voorwerp op een scherm gemaakt die 4x vergroot is. Hierbij staan het voorwerp en het scherm op 1,5 m afstand van elkaar. Bereken de voorwerpsafstand.
a)
30 cm
b)
37,5 cm
c)
122,5 cm
d)
120 cm
36.

Waar of niet waar? De wenkbrouwen beschermen je oog tegen vliegjes.

a)

Waar

b)

Niet waar

37.

Waar of niet waar? De traanklier voert tranen af.

a)

Waar

b)

Niet waar

38.

Waar of niet waar? De traanklier voert tranen af.

a)

Waar

b)

Niet waar

39.

Als je verziend bent dan ....

a)

Zie je van dichtbij niet scherp

b)

Zie je ver weg niet scherp

40.

Wat is de betekenis van een brandpunt?

a)

De plek waar het licht op het netvlies komt

b)

De plek waar de lichtstralen elkaar kruisen

c)

De plek waar de pupil het licht opvangt

d)

De plek waar de lichtstralen afbuigen door de lens

41.

Als je bijziend bent dan ...

a)

Zie je van veraf niet scherp

b)

Zie je dichtbij niet scherp

42.

Waarom is er een pupilreflex in het oog?

a)

Om het oog meer of minder kleur te geven

b)

Om scherp te kunnen zien

c)

Om de hoeveelheid licht te regelen

d)

Om het beeld door te geven aan de hersenen

43.
Bij een convergente lichtbundel komen de lichtstralen samen. 
a)
Waar
b)
Niet Waar 
44.
Bij een evenwijdige bundel gaan de lichtstralen uit elkaar.
a)
Waar
b)
Niet Waar
45.
Breking van licht treed op bij een grensoppervlak tussen twee stoffen.  
a)
Waar
b)
Niet Waar 
46.
Bij een breking van lucht naar een doorzichtige vaste stof is de hoek van inval 25° en de hoek van breking is 19°.
Bereken van welk materiaal deze vaste stof is gemaakt
a)
diamant
b)
water 
c)
glas
d)
ijs
47.
Een prisma heeft altijd een tophoek van 60⁰.
a)
Waar
b)
Niet Waar
48.

 32 = ?3^2\ =\ ?  

a)

6

b)

9

c)

-9

d)

-6

49.

 (3)2 = ?\left(-3\right)^2\ =\ ?  

a)

6

b)

9

c)

-9

d)

-6

50.

Gegeven is de formule y = -x2 + 2x -1

Bereken y voor x = -2

a)

-9

b)

-1

c)

9

d)

1

51.

Schrijf de volgende formule zonder haakjes:

y = (x+3)(x-2)

a)

y = x2 + x - 6

b)

y = x2 - x + 6

c)

y = x2 - 5x + 6

d)

y = x2 + 6x - 1

52.

Deze kwadratische formule snijdt de y-as in het punt

a)

(-1,0)

b)

(5,0)

c)

(0,-5)

d)

(2,-9)

53.
Welke formules horen bij een dalparabool?
1.     y = -5x2 + 8
2.     y = 6x2
3.     y = -0,2x2
4.     y = 0,25x2 - 7
a)
1 en 3
b)
2 en 4
c)
1, 3 en 4
d)
Alleen 2
54.

Vul in:De maan is een ......... lichtbron

a)

directe

b)

indirecte

c)

Geen

55.
Bereken de vergrotingsfactor
a)
4,5
b)
2.88
c)
0,22
d)
4,4
56.
Foto 2 is een vergroting van foto 1.
Foto 2 is 5.44 cm lang en foto 1 is 3.2 cm.
Wat is de vergrotingsfactor ( je mag je rekenmachine gebruiken)
a)
12,4
b)
1,8
c)
1,7
d)
0.59
57.

Een foto met een lengte van 10 cm en een hoogte van 15 cm wordt uitvergroot tot poster. De lengte van de poster is 45cm geworden.

Wat is dan de hoogte van de poster?

a)

30 cm

b)

135 cm

c)

67,5 cm

58.
Bij 150% hoort de vergrotingsfactor:
a)
150
b)
15
c)
1,5
d)
0,15
59.
Op hoeveel % moet je het kopieerapparaat zetten als je je foto 2 x zo groot wilt hebben?
a)
100%
b)
2%
c)
200%
d)
150%
60.
Pascal legt een foto van 20cm bij 30cm op het kopieerapparaat. Hij stelt het apparaat in op 71%. Wat zijn de maten van de foto op zijn kopie?
a)
14.2cm bij 21.3cm
b)
1420cm bij 2130cm
c)
28.17cm bij 42.25cm
61.
Van de CN Tower in Toronto is een model gemaakt. De CN Tower is 533 m hoog. Het model is schaal 1:500. Bereken de hoogte van het model. Rond af op hele centimeters. 
a)
1,07 cm
b)
266500 cm
c)
10,66 cm
d)
106,6 cm
62.
Iemand staat op 5,0 m afstand voor een camera. Het beeld op de beeldchip van de camera is 7,0 mm groot. In werkelijkheid de persoon 1,8 m lang.
Wat is de vergroting?
a)
0,0038x
b)
0,038x
c)
0,38x
d)
3,8x
63.
Je wilt een lampje afbeelden op een groot scherm. Je gebruikt een positieve lens, f = 11 cm. Waar moet je het scherm neerzetten om een scherp beeld te krijgen? Het lampje staat 20 cm voor de lens. Rond af op twee decimalen.
a)
24,33 cm
b)
24,45 cm
c)
22,80 cm
d)
20,55 cm
e)
19,67 cm
64.

Jochem heeft een bril met een dioptrie van +2 is Jochem bij-, ver- of oudziend?

a)

verziend

b)

bijziend

c)

oudziend

65.
Met een lens wordt een afbeelding van een voorwerp op een scherm gemaakt die 4x vergroot is. Hierbij staan het voorwerp en het scherm op 1,5 m afstand van elkaar. Bereken de voorwerpsafstand.
a)
30 cm
b)
37,5 cm
c)
122,5 cm
d)
120 cm
66.
Het beeld dat zich op het netvlies vormt is:
a)
Omgekeerd
b)
Het zelfde
c)
Groter