wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Instaptoets spelling Blok 5 HA2

Total questions: 16

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Welke regel hoort bij de samenstelling rijstepap?

a)

Het eerste deel heeft een meervoud op -s én op -en

b)

Het eerste deel heeft geen meervoud.

c)

Het eerste deel is geen zelfstandig naamwoord.

d)

Het eerste deel versterkt een bijvoeglijk naamwoord.

e)

Het eerste deel verwijst naar iets waarvan er maar één is.

2.

Welke samenstellingen zijn op de juist wijze gespeld? Let op: meerdere antwoorden mogelijk!

a)

stoelendans

b)

brekebeen

c)

verentooi

d)

tarwenbrood

e)

geboortengolf

3.

Welke woorden zijn juist gespeld? Let op: meerdere antwoorden mogelijk!

a)

aspect

b)

accomodatie

c)

hype

d)

luiwamessen

e)

vleitig

4.

Welke regel hoort bij de samenstelling huilebalk?

a)

Het eerste deel heeft een meervoud op -s én op -en.

b)

Het eerste deel heeft geen meervoud.

c)

Het eerste deel is geen zelfstandig naamwoord.

d)

Het eerste deel versterkt een bijvoeglijk naamwoord.

e)

Het eerste deel verwijst naar iets waarvan er maar één is.

5.

Welke bewering is waar?

a)

Als een zin begint met een cijfer volgt daarna een hoofdletter.

b)

Je gebruikt aanhalingstekens bij de indirecte rede.

c)

Je gebruikt een hoofdletter bij windstreken.

d)

Je gebruikt een hoofdletter bij bijvoeglijke naamwoorden die van

aardrijkskundige namen zijn afgeleid.

6.

Welke woorden schrijf je met een hoofdletter? Let op: meerdere antwoorden mogelijk!

a)

biljartclub

b)

nassauschool

c)

paasontbijt

d)

september

e)

unox

7.

Welke woorden zijn juist gespeld? Let op: meerdere antwoorden mogelijk!

a)

alternatief

b)

beroespgoogelaar

c)

nieuwsgierig

d)

receicling

e)

sugestieve

8.

melden

De leerling ............ zich gisteren bij de receptie.

a)

melden

b)

melde

c)

meldde

d)

meldt

9.

bakken

De ............... frietjes smaakten goed.

a)

gebakte

b)

gebakke

c)

bakke

d)

gebakken

10.

sturen

Ik heb een mailtje ............... naar mijn mentor.

a)

stuurde

b)

gestuurt

c)

gestuurd

d)

sturen

11.

aandurven

De docent heeft het niet meer ...........om er iets te zeggen.

a)

aandurfde

b)

aangedurfd

c)

aandurven

d)

aangedurft

12.

beleven

Jelle heeft een spannend avontuur ...

a)

beleeft

b)

beleefdt

c)

beleefd

13.

plakken

Jitse ... gisteren de postzegels in het boek.

a)

plakkte

b)

plaktte

c)

plakte

d)

plakde

14.

verloten

Silke .........gisteren 50 euro onder haar vrienden.

a)

verlote

b)

verlootte

c)

verloot

d)

verloote

15.

uitsloven

Sven heeft zich op Valentijnsdag .....voor zijn vriendin.

a)

uitgesloofd

b)

uitgeslooft

c)

slooft zich uit

16.

ontmoeten

Vorig jaar ........ Thomas in Nice een paar vrienden.

a)

ontmoete

b)

ontmoet

c)

ontmoette

d)

ontmoeten