wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Modale werkwoorden Duits

Total questions: 16

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Welk werkwoord betekent mogen in de zin van toestemming?

a)

dürfen

b)

mögen

c)

können

d)

möchten

2.

Welk werkwoord gebruik je om iets te bestellen op een terras of restaurant?

a)

dürfen

b)

können

c)

möchten

d)

mögen

3.

Bij de modale werkwoorden........

a)

veranderen alle vormen

b)

veranderen alleen de meervoudsvormen

c)

veranderen alleen de enkelvoudsvormen

d)

verandert geen enkele vorm

4.

Bij 'ich' en 'er, sie, es' krijgen we.......

a)

geen klankverandering en de normale uitgangen van 'feesttenten'

b)

helemaal geen uitgang en een vaak een klankverandering

c)

vaak een klankverandering maar verder de uitgangen volgens 'feesttenten'

5.

Als je een persoon mag of aardig vindt gebruik je het werkwoord

a)

möchten

b)

dürfen

c)

mögen

d)

können

6.

De modale werkwoorden zijn.....

a)

zwakke werkwoorden

b)

sterke werkwoorden

c)

regelmatige werkwoorden

7.

Vertaal naar het Duits: U lust

a)

sie mag

b)

Sie lüsten

c)

du magst

d)

Sie mögen

8.

Vertaal naar het Duits: jullie weten

a)

ihr wisst

b)

ihr weißt

c)

ihr wissen

d)

ihr weißen

9.

Vertaal naar het Duits: ik kan

a)

ich könn

b)

ich kann

c)

ich kanne

d)

ich könne

10.

Vertaal naar het Duits: zij (mv) kunnen

a)

sie kann

b)

Sie können

c)

sie können

d)

Sie kann

11.

Vertaal naar het Duits: jij mag (toestemming)

a)

du magst

b)

du darfst

c)

du dürfst

d)

du mögst

12.

Als een docent een bevel uitdeelt gebruikt hij/zij het werkwoord......

a)

sollen

b)

müssen

c)

dürfen

d)

wissen

13.

Vul in: wollen --> Der Mann__________nicht gehen!

a)

woll

b)

wollt

c)

willt

d)

will

14.

Vul in: können--> Du________aber gut Fußball spielen!

a)

kannst

b)

könnst

c)

kannt

d)

kann

15.

Ich________zur Toilette. Wat is de juiste vorm?

a)

soll

b)

söll

c)

muss

d)

müss

16.

Du_________die Hausaufgaben machen! Wat is de juiste vorm?

a)

musst

b)

sollst

c)

soll

d)

müsst