wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Wat weet ik eigenlijk al? Reanimatie en het hart.

Total questions: 19

Worksheet time: 6mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de functie van het hart?

a)

Zuurstof toevoegen aan het bloed

b)

Het voelen van emoties

c)

Afvalstoffen uit het bloed halen

d)

Rondpompen van het bloed

2.

In het bloed bevinden zich

a)

Rode en witte bloedcellen

b)

Rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes

c)

Rode bloedcellen en bloedplaatjes

d)

Witte bloedcellen en bloedplaatjes

3.

Het bloedvatenstelsel bestaat uit

a)

al je bloedvaten

b)

het hart en al je bloedvaten

c)

het hart

d)

het hart en je bloed

4.

Waaruit bestaat de bloedsomloop?

a)

De kleine en grote bloedsomloop

b)

De grote bloedsomploop

c)

De kleine bloedsomloop

d)

De kleine, middelmatige en grote bloedsomloop

5.

Het hart ligt in de borstholte, iets naar links onder het borstbeen en is ongeveer zo groot als een vuist.

a)

Waar

b)

Niet waar

6.

Het hart bestaat uit

a)

1 boezem en 2 kamers

b)

1 boezem en 1 kamer

c)

2 boezems en 2 kamers

d)

2 boezems en 1 kamer

7.

De boezems en kamers zijn van elkaar gescheiden door

a)

de harttussenwand

b)

de aorta

c)

de hartkleppen

8.

Je hart is een spier

a)

Waar

b)

Niet waar

9.

We hebben de volgende bloedvaten

a)

Slagaders en aders

b)

Slagaders, haarvaten en aders

c)

Slagaders en haarvaten

d)

Aders

10.

Een hartinfarct kan ontstaan

a)

Door het stoppen van het kloppen van het hart

b)

Als het hart te hart moet werken

c)

Slagaderverkalking

11.

Bij een hartstilstand

a)

Pompt je hart niet genoeg bloed rond

b)

Stopt je hart met pompen

c)

Pompt je hart teveel bloed rond

12.

Tijdens eerste hulp moet je eerst

a)

de veiligheid van een slachtoffer garanderen

b)

je eigen veiligheid garanderen

c)

de veiligheid van het slachtoffer en jezelf garanderen

13.

Binnen hoeveel minuten moet de reanimatie opgestart zijn voor de grootste kans op overleving.

a)

6 minuten

b)

7 minuten

c)

8 minuten

d)

9 minuten

14.

Bij een hartstilstand staat het hart helemaal stil

a)

Onjuist. Het staat niet echt stil, maar de hartkamers trillen heel snel

b)

Onjuist. Dat lijkt maar zo, omdat je buiten bewustzijn raakt

c)

Juist. Hij doet helemaal niets meer

15.

Je bent bij de buren. De buurman voelt zich ineens niet lekker en zakt in elkaar. Hij reageert niet meer. Wat doe je?

a)

Ik start met reanimeren

b)

Ik bel meteen 112

c)

Ik bel de huisarts

d)

Ik ga een van mijn buren halen

16.

Bij een reanimatie kan je niets fout doen

a)

Onjuist. Ik kan verkeerde reanimeren.

b)

Juist. Ik kan juist iemand zijn leven redden. Ik doe wat ik kan.

17.

Wanneer mag je stoppen met een reanimatie?

a)

Als het geen zin meer heeft kan ik beter stoppen.

b)

Als ik echt niet meer kan en helemaal uitgeput ben

c)

Na 8 minuten

18.

Waarvoor staat AED?

a)

Automatische externe defibrillator

b)

Automatic electronic device

c)

Automatische interne defibrillator

d)

Automatic emergency device

19.

Hoeveel borstcompressies geef je per minuut bij een reanimatie?

a)

10-20

b)

50-60

c)

100-120

d)

180-200