wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

K1A doelen van een tekst

Total questions: 24

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.
Elke tekst gaat ergens over. Dat noem je
a)
alinea
b)
onderwerp
c)
hoofdgedachte
d)
tussenkopje
2.
Je kunt met één of met een paar woorden zeggen wat het onderwerp is
a)
goed
b)
fout
3.
Om het onderwerp te vinden, hoef je een tekst niet helemaal te lezen.
a)
goed
b)
fout
4.
Een tekst is meestal verdeeld in een middenstuk (kern) en een slot.

a)
goed
b)
fout
5.
Vaak worden er in het middenstuk verschillende delen van het onderwerp besproken. Dit noemen we
a)
alinea's
b)
inleiding
c)
tussenkopjes
d)
deelonderwerpen
6.

Welke uitspraken zijn waar?

a)

een mening is iets wat iemand vindt

b)

feiten zijn controleerbaar

7.
Deelonderwerpen zijn hetzelfde als tussenkopjes
a)
Onjuist
b)
Juist 
8.
De titel is het onderwerp van een tekst
a)
Juist
b)
Onjuist
9.

Een alinea is

a)

de hele tekst.

b)

een afbeelding bij de tekst.

c)

over een stukje tekst over een deelonderwerp.

d)

het hoofdonderwerp van de tekst.

10.

Waar staat de bron van een tekst?

a)

Bovenaan naast de titel

b)

Onderaan de tekst

c)

Dat staat nooit bij de tekst

11.

Wat is de bron van een tekst

a)

Geeft aan waar een tekst vandaan komt

b)

De aanleiding van de tekst

c)

Het slot van de tekst

d)

De conclusie

12.
Je hoeft dan niet de hele tekst te lezen, maar alleen het stukje tekst dat je nodig hebt.
a)
Verkennend lezen
b)
Nauwkeurig lezen
c)
zoekend lezen
13.
Een tekst is meestal verdeeld in een middenstuk (kern) en een slot.

a)
goed
b)
fout
14.

Uit hoeveel alinea's bestaat een tekst met een driedeling minimaal?

a)

2

b)

3

c)

4

d)

5

15.

Wat is een tussenkopje?

a)

De titel van een of meerdere alinea's.

b)

Het deelonderwerp van een alinea.

c)

De witregel tussen twee alinea's in.

d)

Het kernwoord van een alinea.

16.
Wat is een alinea?
a)
een tussenkopje
b)
een inleiding
c)
een stukje tekst dat bij elkaar hoort
d)
een titel
17.
Het tekstdoel amuseren betekent dat de schrijver...
a)
... de lezer wil overhalen iets te doen.
b)
...de lezer informatie wil geven.
c)
...de lezer wil vermaken door iets boeiends, ontroerends of bijzonders te vertellen.
d)
...de lezer wil overtuigen van zijn mening.
18.

Wat is meestal het doel van de auteur van een nieuwsbericht?

a)

overtuigen

b)

informeren

c)

instrueren

d)

adviseren

19.
Welk tekstdoel heeft een strip?
a)
informeren
b)
tot handelen aanzetten
c)
waarschuwen
d)
amuseren
20.
Welk tekstdoel heeft een advertentie?
a)
tot handelen aanzetten
b)
overtuigen
c)
amuseren
d)
informeren
21.
Welk tekstdoel heeft een (nieuws)artikel?
a)
informeren
b)
adviseren
c)
waarschuwen
d)
tot handelen aanzetten
22.
De belangrijkste zin van de alinea heet een kernzin. Waar vind je die meestal?
a)
Dit is vaak de eerste zin.
b)
Dit is vaak de tweede zin.
c)
Dit is vaak de laatste zin.
d)
Dit is vaak de 1e of de laatste zin.
23.

Welk tekstdeel is het grootst?

a)

Inleiding

b)

Middenstuk

c)

Slot

24.

Wanneer lees je zoekend?

a)

Als je een samenvatting maakt

b)

Als je iets snel wilt opzoeken