NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsVoorkennis zenuwstelsel en zintuigen
Total questions: 18
Worksheet time: 9mins
Name
Class
Date
1.
Je telefoon gaat af en je pakt met je hand de telefoon op. Wat is hier de prikkel?
a)
Je telefoon
b)
Het geluid van de telefoon
c)
Je hand die de telefoon oppakt.
2.
Wat zijn zintuigen?
a)
ogen, oren, mond, neus, huid, handen
b)
ogen, mond, oren, huid, neus
c)
ogen, oren, mond, huid, neus, voeten
d)
ogen, oren, mond, huid, neus, gevoel
3.
Wat kun je met je zintuigen doen?
a)
informatie uit je omgeving zien
b)
informatie uit je omgeving horen
c)
informatie uit je omgeving waarnemen
d)
geen idee
4.
Je neemt waar doordat je iets
a)
voelt, ruikt, ziet, hoort, proeft
b)
eet, voelt, ruikt, ziet, hoort
c)
voelt, ruikt, ziet, hoort, proeft, hoopt
d)
doet
5.
Je zintuigen nemen
a)
taken waar
b)
mensen waar
c)
prikkels waar
d)
iets op
6.
In de zintuigen wordt van een prikkel een
a)
taak gemaakt
b)
afdruk gemaakt
c)
impuls gemaakt
d)
inpuls
7.
voor welke smaken is je tong het gevoeligst?
a)
melk,boter,zoet,zout
b)
bitter,zoet,water,zout
c)
zoet,zuur,bitter,zout
d)
zoet,zuur,bitter,zout
8.
Op de afbeelding zie je
a)
de grijpreflex
b)
de terugtrekreflex
c)
de kniepeesreflex
d)
de pupilreflex
9.
Is dit een prikkel of een impuls?
a)
prikkel
b)
impuls
10.
Dit is een adequate prikkel voor:
a)
ogen
b)
oren
c)
huid
d)
evenwicht
11.
Dit is een adequate prikkel voor:
a)
ogen
b)
oren
c)
huid
d)
evenwicht
12.
Is dit een adequate prikkel voor je evenwichtszintuig?
a)
ja
b)
nee
13.
Dit is een adequate prikkel voor:
a)
ogen
b)
oren
c)
huid
d)
evenwicht
14.
Welk stelsel werkt sneller?
a)
het hormoonstelsel
b)
het zenuwstelsel
c)
allebei net zo snel
15.
De veranderingen van de jongen in het plaatje komen door:
a)
geslachtshormoon
b)
groeihormoon
c)
geslachtshormoon én groeihormoon
d)
geen van de twee hormonen
16.
Centraal zenuwstelsel bestaat uit:
a)
hersenen en ruggemerg
b)
hersenen en perifere zenuwen
c)
hersenen en mororische zenuwen
d)
hersenen ruggenmerg en perifere zenuwen
17.
De hersenen zijn onder te verdelen in:
a)
grote hersenen en kleine hersenen tussen tussenhersenen hersenstam
b)
grote hersenen en tussen hersenen kleine hersenen ruggenmer
c)
grote hersenen, kleine hersenen en hersenzenuwen
d)
Hersenstam, kleine hersenen en grote hersenen
18.
Het zenuwstelsel bestaat uit:
a)
hersenen en zenuwen
b)
hersenen en ruggenmerg
c)
hersenen en perifere zenuwen
d)
hersenen, ruggenmerg en zenuwen
Reset
