wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bespreken SO 3 Biologie M4

Total questions: 21

Worksheet time: 2hrs 45mins

Name
Class
Date
1.

`De achillespees verbindt het hielbeen met de kuitspier. Welke beweging kun je niet meer maken als je achillespees is doorgesneden?

a)

Haar voet optillen

b)

Haar voet strekken

c)

Haar onderbeen optillen

d)

Haar onderbeen strekken

2.

Welke functie/taak van het skelet zorgt dat je weinig schade optreed bij een ongeval

a)

Bescherming van organen

b)

Bewegen mogelijk maken

c)

Rechtop staan mogelijk maken

d)

Vorm geven aan het lichaam

3.

Bij de schaatshouding, welke spieren zijn dan gespannen? En zijn dit langzame vezels of snelle vezels

a)

De buikspieren zijn vooral gespannen, met langzame vezels

b)

De rugspieren zijn vooral gespannen, met langzame vezels

c)

De buikspieren zijn vooral gespannen, met snelle vezels

d)

De rugspieren zijn vooral gespannen, met snelle vezels

4.

De wand van een slagader bestaat uit drie lagen. Is een slagader een weefsel of een orgaan. LEG JE ANTWOORD UIT

a)

Weefsel, omdat het uit verschillende weefsels bestaat

b)

Orgaan, deel van het lichaam met een bepaalde taak

c)

Weefsel, want een slagader pompt het bloed rond

d)

Orgaan, het zorgt ervoor dat overal zuurstof komt

e)

weefsel omdat geen van de cellen en bindweefsel een celkern hebben

5.

Iemand met een vernauwing in de luchtpijp, krijgt lucht binnen via een canule. Lucht dat naar binnen stroomt komt door het samentrekken van de volgende spieren.

a)

door het samentrekken van de buikspieren

b)

door het samentrekken van de middenrifspieren

c)

door het samentrekken van de buikspieren en door het samentrekken van de middenrifspieren

6.

Waarom kan een patiënt met een canule niet meer goed spreken?

a)

de lucht gaat niet langs de stembanden

b)

doordat de luchtpijp geblokkeerd is door de canule

c)

de stembanden krijgen geen zuurstof

d)

omdat de mond dan erg droog wordt

7.

Welke spieren trekken bij een normale inademing samen?

a)

Buikspieren en middenrifspieren

b)

Buikspieren en tussenribspieren

c)

Middenrifspieren en tussenribspieren

8.

Door welke eigenschappen van de longblaasjes kan de gaswisseling snel plaatsvinden. (twee aanklikken)

a)

door de dunne wanden

b)

door de hoeveelheid op een klein stukje

c)

doordat er veel zuurstof in het longblaasje komt

d)

door de grote oppervlakte

e)

bepaalde cellen in de longblaasjes

9.

Geef de naam van het bloedvat dat bloed met bilirubine uit de lever afvoert

a)

leverslagader

b)

holle ader

c)

leverader

d)

poortader

10.

In welke volgorde passeert het bloed de delen van het hart?

a)

Linkerboezem- linkerkamer- rechterboezem- rechterkamer

b)

Linkerboezem-rechterboezem- linkerkamer- rechterkamer

c)

Rechterboezem- rechterkamer- linkerboezem- linkerkamer

d)

Rechterboezem- linkerboezem- rechterkamer- linkerkamer

11.

Hoe heeft het deel dat bilirubine uit het bloed verwijdert?

a)

nierschors

b)

zaadleider (serieus dit antwoord stond er echt bij)

c)

urineblaas

d)

nierbekken

12.

Leg uit waarom vetten minder goed verteerd worden als er minder gal naar het verteringskanaal wordt afgevoerd.

a)

Omdat er dan minder enzymen zijn

b)

Gal neemt vetten op

c)

Gal emulgeert vetten

d)

In gal zitten enzymen die vet afbreken

13.

Leg uit waardoor het bloed in de poortader minder zuurstof bevat dan het bloed van de leverslagader.

a)

Omdat de poortader geen slagader is, en dus geen zuurstof vervoerd

b)

Het bloed in de poortader heeft het zuurstof al afgegeven aan de dunne darm

c)

Omdat de aorta als eerste in de lever aankomt, zodat je daar meer zuurstof hebt.

d)

Bloed van de poortader gaat naar de holle ader, en dan naar het hart

14.

Door welk orgaan of organen wordt ureum uitgescheiden

a)

door de endeldarm

b)

door de galblaas

c)

door de lever

d)

door de nieren

15.

Welke letter geeft een longslagader aan?

a)

P

b)

Q

c)

R

d)

S

16.

Waterpokken is een kinderziekte die veroorzaakt wordt door een virus. Het virus blijft na besmetting in het lichaam aanwezig en kan op latere leeftijd gordelroos veroorzaken. Bij gordelroos ontstaan er bultjes en blaasjes op de huid die veel pijn doen. Er wordt onderzocht of ouderen tegen gordelroos beschermd kunnen worden door een vaccinatie.


Voor het onderzoek wordt een grote groep oudere mensen ingeënt met een vaccin. Dit vaccin bevat een verzwakt waterpokkenvirus.

Om het onderzoek compleet te maken dient een andere groep ouderen als controlegroep. Waarmee moet deze controlegroep ingespoten worden?

a)

met een vloeistof met antigenen van het waterpokvirus

b)

met een vloeistof met antistoffen tegen het waterpokvirus

c)

met een vloeistof zonder antigenen en zonder antistoffen

17.

In een onderzoek wordt een grote groep ouderen ingeënt tegen een bacterie die longontsteking veroorzaakt. In deze groep krijgen 49 mensen binnen twee jaar longontsteking. In de even grote controlegroep krijgen 90 mensen in die tijd longontsteking.

Hoeveel procent van de mensen die longontsteking krijgen, zijn van tevoren ingeënt tegen deze ziekte? Leg je antwoord uit met een berekening

a)

Dat kun je niet weten want je weet niet uit hoeveel mensen de groep bestaat

b)

49 +90 = 139 mensen dus 49 : 139 X 100= 35%

c)

90: 100 X 49 = 44%

d)

90 ;2 =45 , 45 =50% 4,5 =5% dus 54 %

18.

Als een vrouw tegen het eind van haar zwangerschap wordt ingeënt tegen kinkhoest, dan is de baby vlak na de geboorte beschermd tegen deze ziekte.

Leg uit waardoor zo’n inenting van de moeder de pasgeboren baby beschermt tegen kinkhoest.

a)

De antistoffen worden door de placenta naar het bloed van de baby vervoerd

b)

Dan kan de moeder het kind bescherming omdat het antistoffen heeft

c)

Omdat de inenting ook naar het kindje gaat door het bloed

d)

Doordat het bloed van de moeder ook door de baby stroomt tijdens de zwangerschap

19.

Deze vorm van bescherming is een voorbeeld van:

a)

kunstmatige actieve immunisatie

b)

kunstmatige passieve immunisatie

c)

natuurlijke actieve immunisatie

d)

natuurlijke passieve immunisatie

20.

In welk orgaan wordt gal gemaakt? En in welk orgaan wordt gal opgeslagen?

a)

Gal wordt gemaakt in de lever, en opgeslagen in de galblaas

b)

Gal wordt gemaakt in de galblaas en opgeslagen in de lever

c)

Gal wordt gemaakt in de twaalfvingerige darm, en opgeslagen in de lever

d)

Gal wordt gemaakt in de twaalfvingerige darm en opgeslagen in de galblaas

21.

Zitten er in resusnegatief bloed

resusantistoffen? en resusantigenen?

a)

Wel antigenen, Wel antistoffen

b)

Wel antigenen, geen antistoffen

c)

Geen antigenen, wel antistoffen

d)

geen antigenen, geen antistoffen