wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Toets H5 bewegen kader/mavo 2

Total questions: 25

Worksheet time: 42mins

Name
Class
Date
1.

Reken om, 1 cm is:

a)

0,1 m

b)

0,01 m

c)

0,001 m

2.

Reken om, 40 cm is:

a)

4 m

b)

0,4 m

c)

400 m

d)

0,04 m

3.

Op een fietskaart staat dat de schaal 1: 800 is.

Wat betekent dit?

a)

Dat 1 cm op de kaart 8 km is.

b)

Dat 1 cm op de kaart 8 m is.

c)

Dat 1 cm op de kaart 800 cm is.

d)

Dat 1 cm op de kaart 800 km is.

4.

Op weg naar school fiets je met een snelheid van 15 km/h.

Wat betekent dat precies?

a)

Dat je er 1 minuut over doet om 15 km te fietsen

b)

Dat je er 1 uur over doet om 15 m te fietsen

c)

Dat je er 1 uur over doet om 15 km te fietsen

d)

Dat je er 1 uur over doet om 1500 m te fietsen

5.

Op je vakantie maak je een lange fietstocht van 60 kilometer. Je fietst met een snelheid van 4,16 m/s


Hoe lang doe je hier over?

a)

4,16 x 3,6 = 15 km/h, 60: 15 = 4 uur

b)

4,16 :3,6 = 1,15 km/h, 60: 1,15= 52,17 uur

c)

60: 4,16 = 14,4 uur

6.

Tijdens het fietsen kun je versnellen of vertragen.

Klik op de twee juiste opmerkingen.

a)

Als je versnelt, ga je steeds langzamer bewegen.

b)

Als je versnelt, ga je steeds sneller bewegen.

c)

Als je vertraagt, ga je steeds langzamer bewegen.

d)

Als je vertraagt, ga je steeds sneller bewegen.

7.

Een beweging kun je vastleggen met een stroboscopische foto. Op zo’n foto zie je meerdere malen hetzelfde voorwerp. Welke voorwaarden zijn noodzakelijk om een goede stroboscopische foto te maken?


Klik de juiste twee beweringen aan.

a)

De sluiter van de camera blijft gedurende de gehele beweging openstaan.

b)

De foto moet in kleur zijn gemaakt.

c)

Je hebt een stroboscooplamp nodig die met onregelmatige tussenpozen flitst.

d)

Je hebt een stroboscooplamp nodig die met regelmatige tussenpozen flitst.

8.

De foto hierboven is een stroboscopische foto waarbij de tijd twee opvolgende beelden is 0,5 s. Hoeveel tijd zit er tussen de eerste en de laatste opname?

a)

1 s

b)

1,5 s

c)

2 s

d)

2,5 s

9.

Wat voor soort beweging maakt de bal?

a)

Versneld

b)

Vertraagd

c)

Eenparige beweging

10.

Ruud doet mee aan een hardloopwedstrijd. Hij legt 200 m af in 30 s.

Bereken de gemiddelde snelheid van Ruud.

a)

0,15 km/h

b)

0,15 m/s

c)

6,67 km/h

d)

6,67 m/s

11.

Reken de snelheid in m/s om naar de snelheid in km/h.

425 m/s

a)

425 x 3,6 = 1440 m/s

b)

425 x 3,6 = 1440 km/h

c)

425 : 3,6 = 118 m/s

d)

425 : 3,6 = 118 km/h

12.

Reken de snelheid in km/h om naar de snelheid in m/s.

120 km/h

a)

120 : 3,6 = 33,33 m/s

b)

120 : 3,6 = 33,33 km/h

c)

120 x 3,6 = 432 m/s

d)

120 x 3,6 = 432 km/h

13.

Juun rijdt op haar brommer in 0,4 h van huis naar school. haar gemiddelde snelheid is 30 km/h.


Bereken hoe ver Juun van school woont. Kies het juiste antwoord.

a)

10 km

b)

11 km

c)

12 km

d)

13 km

14.

Bij snelheidscontroles wordt vaak gebruikgemaakt van een trajectmeting. Hierbij wordt met behulp van camera's over een bepaalde afstand aan het begin en het einde van het traject het passerende verkeer geregistreerd. Een computer berekent voor elke auto de gemiddelde snelheid. Als die snelheid hoger is dan de toegestane snelheid, krijgt de hardrijder automatisch een bekeuring thuisgestuurd.

Een auto doet 3,5 minuten over een dergelijk traject. De gemiddelde snelheid van de auto over dit traject is 111 km/h.


Bereken de lengte van dit traject. Geef je antwoord in een decimaal

a)

6574,3 m

b)

6474,3 m

c)

6,5 km

15.

Voetballer Klaas-Jan schiet op doel. De bal verlaat zijn schoen in de richting van de rechterhoek met een snelheid van 25 m/s. De bal zal de doellijn passeren na 0,46 s.


Bereken hoe ver Klaas-Jan van het doel stond toen hij schoot.

a)

1,15 m

b)

13,5 m

c)

1,1 m

d)

11,5 m

16.

Je ziet een stroboscopische foto van een blokje dat beweegt. Bij a begint de beweging. Hoe noemen de beweging tussen a en b?

a)

Versneld

b)

Eenparig

c)

Vertraagd

17.

Je ziet een stroboscopische foto van een blokje dat beweegt.

Hoe noemen we de beweging tussen b en c?

a)

Versneld

b)

Eenparig

c)

Vertraagd

18.

Een auto rijdt over een autoweg van 123 km lang. Hij doet hier 1,5 uur over. De chauffeur heeft de cruisecontrol ingeschakeld. Hierdoor rijdt de vrachtauto steeds met dezelfde snelheid.


Bereken de snelheid van de auto.

a)

82 km/h

b)

41 km/h

c)

164 km/h

d)

80 km/h

19.

Aan de bovenzijde van een roltrap kun je staan. Aan de onderzijde rollen de treden met eenzelfde tempo weer terug. De totale lengte van een roltrap is 100 m. In 1 minuut en 45 seconden draait deze roltrap helemaal rond.


Bereken de snelheid van de roltrap. Rond af op 2 decimalen

a)

0,9523 m/s

b)

0,952 m/s

c)

0,95 m/s

d)

0,9 m/s

20.

De aarde draait in 24 uur tijd rond haar as. De omtrek van de aarde op de evenaar is 40 030 km.


Bereken de snelheid van de aarde op de evenaar. Rond af op een geheel getal.

a)

1667 km/h

b)

1668 km/h

c)

1668,9 km/h

21.

Een fietser rijdt over de Afsluitdijk. Deze is 32 km lang. Hij doet hier 2 uur over. De fietser heeft wind mee en fietst steeds met dezelfde snelheid.


Bereken de snelheid van de fietser in m/s.

a)

16 km/h

b)

4,44 m/s

c)

16 m/s

d)

4,44 km/h

22.

Dat een auto niet op tijd tot stilstand kan komen, kan verschillende oorzaken hebben.


Welke omstandigheden beïnvloeden de remweg op een negatieve manier?

a)

Auto heeft veel inzittende aan boord.

b)

De autobanden hebben veel profiel.

c)

De bestuurder zit op zijn telefoon.

d)

Het wegdek is droog.

e)

De snelheid van de auto is groter dan is toegestaan.

23.

In de grafiek zie je de remweg bij verschillende snelheden. Hoe groter de snelheid is, hoe groter de remweg is.


Hoeveel keer is de remweg bij 100 km/h langer dan bij 50 km/h?

a)

2

b)

4

c)

8

24.

Als het sneeuwt, heeft een auto bij een snelheid van 80 km/h een remweg van 100 m.


Welke bewering over de remweg onder dezelfde omstandigheden bij 60 km/h is juist?

a)

De remweg is korter

b)

De remweg is langer

c)

De remweg is even lang

25.

Als het regent, heeft een auto bij een snelheid van 100 km/h een remweg van 100 m.


Hoe groot is de remweg onder dezelfde omstandigheden bij 80 km/h

a)

0 m

b)

77 m

c)

100 m

d)

102 m