wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Toets ecologie 3v

Total questions: 27

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Geef aan wat er bij de nummers 1 t/m 4 moet staan.

a)

1 producent, 2 consument, 3 consument, 4 reducent

b)

1 reducent, 2 producent, 3 producent, 4 consument

c)

1 producent, 2 consument, 3 producent, 4 reducent

d)

1 consument, 2 producent, 3 consument, 5 consument

2.

Hoe heet de schakel die de insecten vormen in deze voedselketen?

a)

Producenten

b)

Consumenten van de 1e orde

c)

Consumenten van de 2e orde

d)

Consumenten van de 3e orde

e)

Reducenten

3.

Hoe heet de schakel die mensen vormen in deze voedselketen?

a)

Producenten

b)

Consumenten van de 1e orde

c)

Consumenten van de 2e orde

d)

Consumenten van de 3e orde

e)

Reducenten

4.

Wordt alle biomassa doorgegeven aan de volgende schakel in de voedselketen?

a)

Ja, want vruchten en bladeren worden opgegeten en afgebroken door reducenten.

b)

Ja, want er verdwijnt geen biomassa in een voedselketen.

c)

Nee, er gaat energie uit de voedselketen onder andere door verbranding.

5.

Kies twee redenen voor deze slechtere groei van maïsplanten onder grote bomen.

a)

Bomen eigenen alle stikstof uit de grond op.

b)

Bomen nemen veel water op.

c)

Bomen zorgen voor een overvallende schaduw.

6.

Bij welk zoutgehalte zijn de groei- en voortplantingskansen van deze populatie het grootst?

a)

0,6%

b)

0,8%

c)

1,1%

d)

0,7%

7.

Geef de voedselketen van de organismen in de afbeelding.

a)

Algen > Muggenlarve > Libellenlarve > Regenboogforel

b)

Algen > Libellenlarve > Regenboogforel

c)

Regenboogforel > Libellenlarve > Muggenlarve > Algen

d)

Algen < Muggenlarve < Libellenlarve < Regenboogforel

8.

Geef de voedselketen van de in de tekst genoemde organismen.

a)

Vogels < wormen & schelpdieren < kleine diertjes < kleine algen

b)

Kleine algen & kleine diertjes > wormen > schelpdieren > vogels

c)

Kleine algen > kleine diertjes > wormen & schelpdieren > vogels

d)

Vogels > wormen & schelpdieren > kleine diertjes > kleine algen

9.

Komt fotosynthese alleen voor bij autotrofe organismen of bij heterotrofe organismen, of bij alle twee?

a)

Alleen bij autotrofe oranismen

b)

Alleen bij heterotrofe oranismen

c)

Bij zowel autotroof als heterotrofe organismen

10.

Welke van deze planten is het best aangepast aan een droge omgeving?

a)

Eik, want hij heeft geen huidmondjes aan de bovenzijde waar de zon op schijnt.

b)

Huislook, want die heeft het minste aantal huidmondjes.

c)

Koolzaad, want die heeft het meeste aantal huidmondjes waardoor er veel gaswisseling kan plaatsvinden.

11.

Welke organismen worden aangegeven met A?

a)

Heterotrofe organismen

b)

Consumenten

c)

Reducenten

d)

Autotrofe organismen

12.

Welke van de genummerde pijlen geeft (geven) dode resten van dieren weer? 

a)

5

b)

5 & 6

c)

7

13.

Welke van de genummerde pijlen geeft (geven) fotosynthese weer?

a)

3

b)

2

c)

A

d)

1

14.

Welke van de genummerde pijlen geeft (geven) een proces weer waarbij energie vrij komt?

a)

6 en 7

b)

3, 6 en 7

c)

1

d)

5

15.

Wat is de energiebron, die de kringloop in stand houdt?

a)

De zon

b)

Koolstof

c)

Fotosynthese

d)

Recycling

16.

Welke van deze kenmerken kun je aantreffen bij landplanten, die goed zijn aangepast aan een vochtig milieu?

a)

Alleen kenmerk 1.

b)

Alleen kenmerk 2.

c)

Alleen kenmerk 3.

d)

De kenmerken 1 en 2.

e)

De kenmerken 1 en 3.

17.

In de afbeelding hiernaast zijn voedselrelaties tussen een aantal organismen in zee weergegeven. Hoeveel voedselketens zijn in afbeelding 8 weergegeven?

a)

1.

b)

2.

c)

3.

d)

4.

e)

5.

18.

In een weiland komen veel organismen voor. Vormen alle organismen in een weiland samen een biotoop, een ecosysteem, een levensgemeenschap of een populatie?

a)

Een biotoop.

b)

Een ecosysteem.

c)

Een levensgemeenschap.

d)

Een populatie.

19.

De meeste planten kunnen niet groeien op voedselarme grond. Hebben zij op die grond vooral gebrek aan bepaalde mineralen, aan koolhydraten, aan koolstofdioxide of aan water?

a)

Aan bepaalde mineralen.

b)

Aan koolhydraten.

c)

Aan koolstofdioxide.

d)

Aan water.

20.

Welke van deze beweringen in de afbeelding hiernaast is (zijn) juist?

a)

Alleen bewering 1.

b)

Alleen bewering 2.

c)

Allebei de beweringen.

d)

Geen van beide beweringen.

21.

Hiernaast is een voedselketen in een ecosysteem weergegeven. De verschillende organismen zijn niet op dezelfde schaal getekend.

In welke schakel van deze voedselketen is de totale hoeveelheid energierijke stoffen het grootst?

a)

De hoeveelheid energierijke stoffen is het grootst in de bamboeplanten.

b)

De hoeveelheid energierijke stoffen is het grootst in de pandaberen.

c)

De hoeveelheid energierijke stoffen is het grootst in de bacteriën en schimmels.

d)

De hoeveelheid energierijke stoffen is even groot in alle drie schakels.

22.

In de afbeelding is van een voedselketen een piramide getekend.


Kan in de afbeelding een piramide van aantallen zijn weergegeven? En een piramide van biomassa?

a)

Alleen een piramide van aantallen.

b)

Alleen een piramide van biomassa.

c)

Zowel een piramide van aantallen als een piramide van biomassa.

23.

Bij welk/welke van de genummerde pijlen worden levende organismen gegeten door andere organismen?

a)

2

b)

3

c)

5

d)

6

24.

Door welke organismen worden stikstofhoudende mineralen omgezet in stikstofhoudende organische stoffen?

a)

Bacteriën

b)

Schimmels

c)

Planten

d)

Dat wordt niet door organismen gedaan.

25.

Als mensen sterven, worden ze meestal begraven. Hun lichamen worden dan door reducenten afgebroken. Welke stikstofhoudende stoffen komen daarbij vrij?

a)

Eiwitten

b)

Ammonium en Ammoniakgas

c)

Ammonium en Nitraat

d)

Eiwitten, Ammonium en Ammoniakgas

26.

Bij stikstofbinding wordt gasvormige stikstof omgezet in o.a. stikstofhoudende mineralen (zouten). Bij welk/welke van de genummerde pijlen is er sprake van stikstofbinding?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

27.

Wordt de bodem door deze stikstofbinding bij vraag 26 'stikstofrijker' of 'stikstofarmer'?

a)

Stikstofrijker

b)

Stikstofarmer

c)

De stikstof hoeveelheid blijft gelijk.