wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thuis in je huis bs 1 tm 3

Total questions: 32

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Een echtpaar en hun acht kinderen vormen een gezin / grootfamilie.

a)

gezin

b)

grootfamilie

2.

Mantelzorg betekent dat je in de zorg werkt.

a)

waar

b)

niet waar

3.

Je hebt een LAT-relatie wanneer je samenwoont.

a)

waar

b)

niet waar

4.

Een stiefmoeder, vader en twee kinderen vormen een traditioneel / samengesteld gezin.

a)

traditioneel

b)

samengesteld

5.

Samenleven betekent dat je een langdurige nauwe relatie met elkaar hebt en samen in een huis woont.

a)

waar

b)

niet waar

6.

Twee mensen die op hetzelfde adres wonen, vormen een huishouden /samengesteld gezin.

a)

huishouden

b)

samengesteld

7.

De supermarkt zoekt een vakkenvuller. Karin en Johan willen beide deze baan. De baas van de supermarkt vindt Karin aardiger, maar kiest Johan omdat hij een jongen is.

a)

Volgens de Nederlandse wet mag dit wel

b)

Volgens de Nederlandse wet mag dit niet

8.

Hebben ouders recht op kinderopvangtoeslag wanneer ze allebei werken?

a)

ja

b)

nee

9.

Een gevolg van emancipatie is een afname / toename van rolgedrag.

a)

afname

b)

toename

10.

Welke aandachtspunten horen bij het doen van het huishouden?

a)

geld

b)

hygiëne

c)

kleding

d)

lichaamshouding

11.

Waar let je op bij het doen van het huishouden?

a)

milieu

b)

rolgedrag

c)

veiligheid

d)

uiterlijk

12.

Als je je beddengoed niet vaak genoeg verschoont, is de kans op ongedierte heel groot. Het diertje dat vooral leeft in beddengoed en vloerbedekking noem je....

a)

mieren

b)

huisstofmijt

c)

teken

d)

vliegjes

13.

Het aantal dopjes schoonmaakmiddel dat je aan een liter water moet toevoegen noem je ........

a)

doses

b)

dopjes

c)

dosering

d)

aantal

14.

Hoe meer schoonmaakmiddelen je gebruikt, hoe hoger / lager de concentratie is.

a)

hoger

b)

lager

15.

Michelle en Robin helpen mee met de schoonmaakdag van de sportclub.

Michelle zegt: 'Het is erg vuil, dus we moeten veel schoonmaakmiddel gebruiken om het schoon te krijgen.'

Robin is het niet met haar eens en zegt: 'We moeten ons houden aan de dosering op het etiket. Het heeft geeft zin om meer schoonmaakmiddel te gebruiken.'

Wie heeft (hebben) gelijk?

a)

ze hebben allebei gelijk

b)

ze hebben geen van beiden gelijk

c)

Michelle heeft gelijk

d)

Robin heeft gelijk

16.

Als je schoonmaakt kun je het beste eerst stofzuigen /alles met een natte doek afnemen en daarna stofzuigen /alles met een natte doek afnemen.

a)

eerst stofzuigen en daarna alles afnemen met een natte doek

b)

alles afnemen met een natte doek en daarna met een natte doek afnemen

17.

De uitwerpselen / gifstoffen uit de pootjes van huisstofmijt veroorzaken huiduitslag of zorgen voor problemen met de ademhaling.

a)

uitwerpselen

b)

gifstoffen uit de pootjes

18.

Er zijn veel verschillen tussen het huishouden van vroeger en nu.

a)

we hebben tegenwoordig meer elektrische apparaten

b)

we hebben tegenwoordig minder elektrische apparaten

19.

Enkele vezelsoorten zijn: katoen, linnen, nylon, polyester, wol en zijde.

Welke vezelsoorten behoren tot de plantaardige vezels?

a)

katoen, nylon en wol

b)

katoen en zijde

c)

katoen en linnen

d)

nylon en polyester

20.

Welke twee synthetische vezels worden uit aardolie gemaakt?

a)

Nylon en Polyester

b)

Latex en wol

c)

Wol en katoen

d)

Geen van bovenstaande antwoorden zijn goed

21.

Eigenschap van katoen?

a)

Krimpt als je het draagt.

b)

Neemt weinig vocht op

c)

De kleding is warm

d)

De kleding is zacht en soepel

22.

Noem drie redenen waarom je moet wassen?

a)

Hygiene,geur en schoonmaakmiddelen

b)

Hygiene,geur en vlekken

c)

Nat,,geur en vlekken

d)

Geen van bovenstaande antwoorden zijn goed

23.

Noem drie verschillende soorten wasmiddelen.?

a)

Witwasmiddelen,bontwasmiddel, totaalwasmiddel

b)

Roodwasmiddelen,bontwasmiddel, totaalwasmiddel

c)

Witwasmiddelen, gemende wasmiddel, totaalwasmiddel

d)

Geen van bovenstaande antwoorden zijn goed.

24.

Welke was moet je op de hand wassen?

a)

Bonte was

b)

Witte was

c)

Zwarte was

d)

Fijne was.

25.

Hoe heet een etiket dat aangeeft hoe je een kledingstuk moet behandelen?

a)

maatetiket

b)

onderhoudsetiket

c)

samenstellingsetiket

26.

In een kledingstuk staat het symbool dat je ziet op de afbeelding.

Bij welke temperatuur mag je dit kledingstuk wassen?

a)

bij 60 graden of lager

b)

alleen bij 60 graden

c)

bij 60 graden of hoger

27.

Op het etiket van jullie nieuwe tafelkleed staat dat het gemaakt is van katoen en nylon.

Tot welke vezelgroep behoort het tafelkleed?

a)

tot de dierlijke vezels

b)

tot de plantaardige vezels

c)

tot een mengvezel

d)

tot de synthetische vezels

28.

Welke vezels komen van planten en dieren?

a)

mengvezels

b)

natuurlijke vezels

c)

synthetische vezels

29.

Waarvan wordt linnen gemaakt?

a)

van aardolie

b)

van katoenafval

c)

van vlasplanten

d)

van de zaadpluis van een plant

30.

Op een merketiket/ onderhoudsetiket /samenstellingsetiket staat van welke stoffen de kleding gemaakt is.

a)

merketiket

b)

onderhoudsetiket

c)

samenstellingsetiket

31.

Wat betekent het stijksymbool?

a)

je moet het lauw strijken

b)

je moet het warm strijken

c)

je moet het heet strijken

32.

Na het wassen kun je de was drogen aan een waslijn of in een droogtrommel.

a)

als je de was in een droger doet wordt de was zachter

b)

als je de was in de droger doet wordt de was harder