wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Warmte

Total questions: 40

Worksheet time: 40mins

Name
Class
Date
1.

De letter J staat voor...

a)

de eenheid joule

b)

de grootheid joule

2.

De eenheid van energie is...

a)

joule

b)

graden Fahrenheit

c)

graden Celsius

d)

warmte

3.

De temperatuur van smeltend ijs is

a)

veranderlijk

b)

constant 0 graden Celsius

c)

constant 0 fahrenheit

d)

constant 100 graden Celsius

4.

kokend water heeft een temperatuur van

a)

0 graden celcius

b)

10 graden celcius

c)

100 graden Celsius

d)

100 graden Fahrenheit

5.

Lees de thermometer af die op de afbeelding staat

a)

20 graden Celsius

b)

22 graden Celsius

c)

37 graden Celsius

d)

32 graden Celsius

6.
warmte is een vorm van energie die
a)
beweging kan geven
b)
snelheid kan veranderen
c)
temperatuur doet veranderen
d)
licht gaat geven
7.

Warmtetransport door bewegende vloeistoffen en gassen noemt men

a)

straling

b)

stroming

c)

geleiding

d)

vervoer

8.

Benzine bevat veel energie energie. Welke soort?

a)

chemische energie

b)

bewegingsenergie

c)

stralingsenergie

d)

elektrische energie

9.

In een gloeilamp wordt elektrische energie omgezet in

a)

licht en beweging

b)

licht en straling

c)

licht en warmte

d)

licht en stroom

10.

Energie kan uit het niets ontstaan

a)

waar

b)

niet waar

11.

Energie kan in het niets verdwijnen

a)

waar

b)

niet waar

12.

Een vorm van warmtetransport zonder tussenkomst van materie

a)

geleiding

b)

stroming

c)

straling

13.

Wanneer warmte wordt toegevoegd aan een stof dan zullen de moleculen...

a)

sneller bewegen of trillen

b)

trager bewegen of trillen

c)

opstijgen

d)

smelten

14.

Wie heeft er gelijk?

a)

Irene

b)

Henk

c)

Hanan

15.
Welke vorm van warmtetransport wordt voorgesteld door elk nummer?
a)
1: geleiding
2: straling
3:stroming
b)
1: geleiding
2: stroming
3:straling
c)
1:stroming
2:geleiding
3:straling
d)
1:straling
2:stroming
3:geleiding
16.
Verbranden is een reactie met
a)
Water
b)
Olie
c)
Vuur
d)
Zuurstof
17.

Welke stof ontstaat er bij een onvolledige verbranding van een brandstof?

a)

Koolstofdioxide

b)

Koolstofmonoxide

c)

Waterdamp

d)

Aardgas

18.

Als warmte van de ene plaats in een vaste stof wordt doorgegeven aan een andere plaats, noem je dat...

a)

Geleiding

b)

Stroming

c)

Straling

d)

Isolatie

19.

Warmteverlies kun je verminderen door goed te isoleren.

a)

waar

b)

niet waar

20.
Welke vorm van energie zit er in brandstoffen?
a)
Elektrische energie
b)
Warmte
c)
Chemische energie
d)
Zwaarte energie
21.
Welke energie-omzetting vindt plaats bij het verbranden van een brandstof.
a)
Elektrische energie ---> Warmte
b)
Chemische energie ---> Warmte
c)
Warmte ---> Stralingsenergie
d)
Zwaarte energie ---> Elektrische energie
22.

Suiker en vet zijn voedingsstoffen die veel energie bevatten. Welke soort?

a)

chemische energie

b)

bewegingsenergie

c)

stralingsenergie

d)

elektrische energie

23.

Het symbool voor temperatuur is

a)

t

b)

T

c)

d)

F

24.

Het symbool voor energie is...

a)

E

b)

P

c)

J

d)

K

25.

Het symbool voor warmte is...

a)

W

b)

T

c)

Q

d)

E

26.

Warmte is een vorm van energie

a)

waar

b)

niet waar

27.

Welke energieomzetting vindt plaats in een zonnepaneel?

a)

Stralingsenergie -> elektrische energie en warmte

b)

Zonnewarmte -> elektrische energie

c)

Stralingsenergie -> elektrische energie

d)

Stralingsenergie -> alternatieve energie

28.

Welke zijn natuurkundige/scheikundige energievormen?

a)

Alternatieve energie

b)

Warmte

c)

Chemische energie

d)

Kernenergie

e)

De Zon

29.

De motor van een auto produceert bewegingsenergie als nuttige energie. Maar ook wat als niet-nuttige energie?

a)

Chemische energie

b)

Warmte

c)

Stralingsenergie

d)

Elektrische energie

e)

Fossiele energie

30.

Ik houd een stukje ijzer in de vlam van een brander:

a)

Warmte stroomt in het ijzer

b)

De warmte van het ijzer neemt toe

c)

De temperatuur van het ijzer neemt toe

d)

De temperatuur gaat van de vlam naar het ijzer

31.

Welke zijn fossiele brandstoffen?

a)

Aardolie

b)

Aardgas

c)

Kolen

d)

Kernenergie

e)

Hout

32.

Wat is het correcte reactieschema?

a)

Aardgas + zuurstof --> koolstofdioxide + waterdamp

b)

Aardgas + lucht --> koolstofdioxide + waterdamp

c)

Aardgas + zuurstof --> warmte

d)

Aardgas + zuurstof --> koolstofdioxide

33.

Een reactieschema: A + B --> C + D

a)

A en B zijn de beginstoffen

b)

C en D zijn de beginstoffen

c)

A en B zijn de reactieproducten

d)

C en D zijn de reactieproducten

34.

Wat zijn de mogelijke reactieproducten bij de verbranding van aardgas?

a)

Aardgas

b)

Zuurstof

c)

Koolstofdioxide

d)

Koolstofmonoxide

e)

Waterdamp

35.

Welke drie eigenschappen maken koolstofmonoxide gevaarlijk in huis?

a)

Het is giftig

b)

Het is kleurloos

c)

Het is reukloos

d)

Het is bijtend

e)

Het is brandbaar

36.

Kies de goede uitspraak:

a)

IJzer geleidt warmte goed, glas slecht.

b)

IJzer geleidt warmte goed, plastic ook.

c)

IJzer geleidt warmte slecht

d)

Hout geleidt warmte goed

37.

Als de kachel meer warmte produceert dan er verloren gaat uit huis, dan...

a)

Neemt de temperatuur in huis toe

b)

Blijft de temperatuur gelijk

c)

Neemt de temperatuur af

d)

Het wordt kouder in huis

38.

Welke twee gassen zijn het belangrijkst in het normale broeikaseffect?

a)

Waterdamp

b)

Koolstofdioxide

c)

Koolstofmonoxide

d)

Lucht

39.

In de natuur wordt voortdurend koolstofdioxide geproduceerd en weer vastgelegd in organisch materiaal zoals hout. Dit noemen we...

a)

de koolstofkringloop

b)

het normale broeikaseffect

c)

het versterkte broeikaseffect

d)

de water kringloop

40.

De zon verwarmt de aarde. Hoe wordt die warmte verspreid?

a)

Door luchtstromingen

b)

Door waterstromingen

c)

Door geleiding door de aarde

d)

Door straling

e)

De warmte blijft vooral op 1 plek hangen