wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Licht-Breking-Lenzen-FORMULES

Total questions: 40

Worksheet time: 34mins

Name
Class
Date
1.
Licht is ...
a)
Elektromagnetische Straling
b)
Röntgen Straling
c)
Radiogolven
2.

Wat gebeurt er met licht dat op een voorwerp schijnt?

a)

Transmissie, Reflectie en Terugkaatsing

b)

Reflectie, Absorptie en Transmissie

c)

Terugkaatsing, Transmissie en Doorlating

3.
Bij een convergente lichtbundel komen de lichtstralen samen. 
a)
Waar
b)
Niet Waar 
4.
Bij een evenwijdige bundel gaan de lichtstralen uit elkaar.
a)
Waar
b)
Niet Waar
5.
De Invalshoek is..
a)
Hoek A
b)
Hoek B
6.
De Brekingshoek is...
a)
Hoek A
b)
Hoek B
7.
Als licht van lucht naar water gaat breekt het ... 
a)
Naar de normaal toe
b)
Van de normaal af 
8.
Als licht van water naar lucht gaat breekt het ...
a)
Naar de normaal toe
b)
Van de normaal af 
9.
Bij de grenshoek is de brekingshoek precies 45⁰. 
a)
Waar
b)
Niet Waar 
10.
De grenshoek bestaat bij een overgang van water naar lucht.
a)
Waar 
b)
Niet waar
11.

Welk onderdeel van het oog zorgt er voor dat het beeld ondersteboven bij je hersenen aan komt?

a)

De iris.

b)

De oogbal.

c)

De oogzenuw

d)

De lens

12.

Wat gebeurt er bij een divergerende lichtbundel?

a)

Lichtstralen buigen van de hoofdas af.

b)

Lichtstralen buigen naar de hoofdas toe.

13.

Bij welke lens hoort een convergerende lichtbundel?

a)

Positieve lens (+ lens)

b)

Negatieve lens (- lens)

14.

Bekijk de afbeelding: Hoe loopt de lichtstraal verder na de lens?

a)

zoals lichtstraal A

b)

zoals lichtstraal B

c)

zoals lichtstraal C

d)

zoals lichtstraal D

15.

S= 6,67 dioptrie

v= 24 cm

bereken b

a)

0.4 cm

b)

9,2 cm

c)

24 cm

d)

40 cm

16.

S= 6,67 dioptrie

v= 24 cm

bereken b

a)

0.4 cm

b)

9,2 cm

c)

24 cm

d)

40 cm

17.

N= 8

b= 40 cm

gevraagd f

a)

35,5 cm

b)

4,4 cm

c)

0,225 cm

d)

0,028 cm

18.

Welke lichtstraal is juist getekend?

a)

bovenste

b)

middelste

c)

onderste

d)

allemaal

19.

Een lens heeft een brandpuntsafstand van 20 cm. Wat is de lenssterkte in dioptrie?

a)

0,050

b)

0,50

c)

5,0

d)

50

20.

Nora is bijziend. Dat betekend dat:

a)

Ze in de verte wel goed kan zien

b)

Ze dichtbij goed kan zien

c)

Haar ooglens te zwak is

d)

Dit verholpen kan worden met positieve lenzen

21.

Wat hebben een oudziende en een verziende met elkaar gemeen?

a)

Ze kunnen beide ver weg zonder bril goed zien

b)

Ze kunnen beide dichtbij niet goed zien

c)

Ze kunnen beide slecht accomoderen

d)

Ze kunnen beide ver weg zien door te accomoderen

22.

Een lichtstraal schijnt van lucht naar water. Welke straal geeft het juiste verloop weer?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

23.

Een lichtstraal valt op een dikke glasplaat. Welke tekening geeft het verloop van de lichtstraal het best weer?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

24.

Het jongetje op de foto probeert een vis te vangen met behulp van een speer. Hij ziet de vis voor zich zwemmen. Waar moet hij de speer gooien

a)

Precies waar hij de vis ziet

b)

Iets boven waar hij de vis ziet

c)

Iets onder waar hij de vis ziet

d)

Ga naar de visboer

25.
Bekijk de afbeelding. Welke 2 stralen zijn de constructiestralen?
a)
1 en 2
b)
1 en 3
c)
1 en 4
d)
2 en 3
26.
Vul in:De maan is een ......... lichtbron
a)
directe
b)
indirecte
27.
Een hoefsmid verhit een hoefijzer tot het ijzer roodgloeiend is. Welke     soort(en) straling zendt het hoefijzer dan uit?
a)
alleen infrarode straling
b)
infrarode straling en licht
c)
alleen ultraviolette straling
d)
ultraviolette straling en licht
28.

Jochem heeft een bril met een dioptrie van +2 is Jochem bij-, ver- of oudziend?

a)

verziend

b)

bijziend

c)

oudziend

29.
Je wilt een lampje afbeelden op een groot scherm. Je gebruikt een positieve lens, f = 11 cm. Waar moet je het scherm neerzetten om een scherp beeld te krijgen? Het lampje staat 20 cm voor de lens. Rond af op twee decimalen.
a)
24,33 cm
b)
24,45 cm
c)
22,80 cm
d)
20,55 cm
e)
19,67 cm
30.
Iemand staat op 5,0 m afstand voor een camera. Het beeld op de beeldchip van de camera is 7,0 mm groot. In werkelijkheid de persoon 1,8 m lang.
Wat is de vergroting?
a)
0,0038x
b)
0,038x
c)
0,38x
d)
3,8x
31.
Jan koopt 100 bananen en een lens met een brandpuntsafstand van 11 cm. Jan zet een voorwerp aan de ene kant op 15 cm. Op hoeveel cm van de moet jan een papiertje hangen om het beeld scherp te zien? Jan voelt zich misselijk door de bananen.
a)
6,3461 cm
b)
41,25 cm
c)
4
d)
0,0242
32.
Een lens heeft een sterkte van 25 dpt. Bereken de brandpuntsafstand van de lens in cm.
a)
0,0040 cm
b)
0,040 cm
c)
0,40 cm
d)
4,0 cm
e)
40 cm
33.
Met een lens wordt een afbeelding van een voorwerp op een scherm gemaakt die 4x vergroot is. Hierbij staan het voorwerp en het scherm op 1,5 m afstand van elkaar. Bereken de voorwerpsafstand.
a)
30 cm
b)
37,5 cm
c)
122,5 cm
d)
120 cm
34.

Welk soort lens zorgt ervoor dat er een scherp beeld op de beeldchip in het fototoestel komt?

a)

een divergerende lens

b)

een holle lens

c)

een negatieve lens

d)

een positieve lens

35.

Mark kijkt op zijn horloge hoe laat het is. Hij denkt dat de tijd niet klopt.

Wat gebeurt er met zijn ooglenzen als hij daarna op de kerkklok kijkt?

a)

Zijn ooglenzen worden boller.

b)

Zijn ooglenzen worden minder bol.

c)

Er gebeurt niets met zijn ooglenzen.

36.

Omdat Mark niet altijd even goed ziet, gaat hij naar de oogarts.

De oogarts zegt dat Mark een bril nodig heeft, omdat hij verziend is.

Wat betekent verziend?

a)

Zonder bril kun je alleen dichtbij scherp zien.

b)

Zonder bril kun je alleen veraf scherp zien.

c)

Zonder bril kun je dichtbij en veraf scherp zien, maar daartussen niet.

d)

Zonder bril kun je helemaal niets scherp zien

37.
Wat gebeurt er bij een divergerende lichtbundel?
a)
Lichtstralen buigen van de hoofdas af.
b)
Lichtstralen buigen naar de hoofdas toe.
38.

Hoe heet het scherp stellen van het oog?

a)

accommoderen

b)

convergeren

c)

divergeren

d)

lichtbreking

39.

Foto 2 is een vergroting van foto 1.

Foto 2 is 5.44 cm lang en foto 1 is 3.2 cm.

Wat is de vergrotingsfactor?

a)

12,4

b)

1,8

c)

1,7

d)

0.59

40.

Foto 1 is kleiner dan foto 2.

Foto 2 is 5.44 cm lang en foto 1 is 3.2 cm.

Wat is de vergrotingsfactor?

a)

12,4

b)

1,8

c)

1,7

d)

0.59