wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Persoonsvorm, Onderwerp en Lijdend Voorwerp

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

De Persoonsvorm is altijd een

a)

Zelfstandig Naamwoord

b)

Lidwoord

c)

Werkwoord

d)

Verbindingswoord

2.

Hoe vind je de Persoonsvorm NIET?

a)

Door de zin vragend te maken

b)

Door de zin in een andere hoeveelheid te zetten

c)

Door de zin in een andere tijd te zetten

d)

Door de woorden in een andere volgorde te zetten

3.

De Persoonsvorm staat altijd in de Tegenwoordige Tijd

a)

Waar

b)

Niet waar

4.

De Persoonsvorm kan zowel in het meervoud als in het enkelvoud staan

a)

Niet waar

b)

Waar

5.

De Persoonsvorm staat NOOIT aan het begin van de zin

a)

Waar

b)

Niet waar

6.

Hoe vind je het Onderwerp in een zin?

a)

Wie/wat + Persoonsvorm

b)

Waar/wat + Persoonsvorm

c)

Wanneer/waar + Persoonsvorm

d)

Wat/welke + Persoonsvorm

7.

Het Onderwerp is meestal

a)

Een persoon

b)

Een voorwerp

c)

Een werkwoord

d)

Een dier

8.

Bij Redekundig Ontleden is het Onderwerp de tweede stap

a)

Niet waar

b)

Waar

9.

Het Onderwerp wordt ook wel aangeduid als

a)

O.

b)

Ond.

c)

Odw.

d)

Onderw.

10.

Hoe ga je op zoek naar het Lijdend Voorwerp

a)

Stam + T

b)

Wie/wat + Persoonsvorm + Onderwerp

c)

Wie/wat + Onderwerp + Persoonsvorm

d)

Draai alle woorden om

11.

Het Lijdend voorwerp bestaat altijd maar uit één woord

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

Het Lijdend Voorwerp staat altijd in het midden van de zin

a)

Niet waar

b)

Waar

13.

Klaas doet iedere avond de afwas.


Het onderstreepte woord is...

a)

Het Onderwerp

b)

Het werkwoord

c)

Het Lijdend Voorwerp

d)

De Persoonsvorm

14.

Anita werkt nog steeds in de supermarkt.


Wat is het Onderwerp in bovenstaande zin?

a)

nog steeds

b)

de supermarkt

c)

Anita

d)

werkt

15.

Ik maak graag mijn huiswerk.


Is "mijn huiswerk" het Lijdend Voorwerp in deze zin?

a)

Ja

b)

Nee