wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Onderwerp zoeken

Total questions: 31

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Zoek het onderwerp. Wie of wat + persoonsvorm. Zie voorbeelden VVVV

a)

Wie of wat loopt? Linde

b)

Wie of wat vindt de school mooi? Meester Bas

c)

Wat staat er in de kast? Een eenhoorn

d)

Wie of wat is leuk? School

2.

Jantje loopt op straat.

a)

Jantje

b)

Loopt

c)

Op straat

3.

De hond heeft mijn huiswerk opgegeten.

a)

Mijn huiswerk

b)

Heeft

c)

De hond

d)

Opgegeten

4.

Gisteren kuste de lange jongen het kleine meisje

a)

Gisteren

b)

Kuste

c)

De lange jongen

d)

Het kleine meisje

5.

Het onderwerp van de zin staat meestal naast de persoonsvorm.

a)

Meestal

b)

Staat

c)

Het onderwerp van de zin

d)

naast

e)

De persoonsvorm

6.

In de speeltuin viel een jongetje van de schommel.

a)

Viel

b)

In de speeltuin

c)

Van de schommel

d)

Een jongetje

7.

Nog even en dan begint de voorjaarsvakantie.

a)

Nog even

b)

En

c)

Begint

d)

De voorjaarsvakantie

e)

Dan

8.

Deze toets heeft maar tien vragen.

a)

Tien vragen

b)

Heeft

c)

Deze toets

d)

Maar

9.

De nieuwe hond van de buren is heel lief.

a)

De nieuwe

b)

Hond

c)

De hond

d)

De nieuwe hond van de buren

e)

Heel lief

10.

Als je dit leest, ben je gek!

a)

Als

b)

Je

c)

Dit

d)

Leest

11.

Wat is Nederlands toch een leuk vak!

a)

Wat

b)

Is

c)

Nederlands

d)

Toch

e)

Een leuk vak

12.
Eet de papegaai enkel nootjes of ook iets anders?
Het onderwerp in deze zin is:
a)
de papegaai
b)
enkel nootjes
c)
iets anders
13.
Op zijn laatste toets van Frans behaalde Frank een mooi resultaat.
Het onderwerp in deze zin is:
a)
zijn laatste toets van Frans
b)
Frank
c)
Frans
d)
een mooi resultaat
14.
Iedere zondag komt de hele familie samen bij oma en opa om gezellig bij te babbelen.
Het onderwerp is:
a)
iedere zondag
b)
de hele familie
c)
oma en opa
15.
Elke dag wandelde Lutje met haar hond Foksie naar het park om hem daar te laten ravotten met andere honden.
Het onderwerp in deze zin is...
a)
haar hond Foksie
b)
Foksie
c)
Lutje
d)
andere honden
16.
Anneke vertelde Marieke het geheim van haar broer.
Het onderwerp in deze zin is:
a)
Anneke
b)
Marieke
17.

De straat waarin ik woon wordt omgebouwd.


Wat is het onderwerp in de zin hierboven?

a)

De straat

b)

ik

c)

wordt omgebouwd

d)

De straat waarin ik woon

18.

Maandag heeft Sonja een wedstrijd in de stad.


Wat is het onderwerp in de zin hierboven?

a)

Maandag

b)

een wedstrijd

c)

Sonja

d)

heeft

19.
Meester Pieter speelt basgitaar bij een bandje uit de buurt.
Het onderwerp in de zin is;
a)
meester
b)
Pieter
c)
meester Pieter
d)
bandje uit de buurt
20.

Twee slakken staan bij de stoeprand.

a)

slakken

b)

twee slakken

c)

staan

d)

stoeprand

21.

Ze kijken naar links en rechts.

a)

Ze

b)

kijken

c)

links

d)

rechts

22.

Een meisje rijdt voorbij.

a)

rijdt

b)

Een meisje

c)

meisje

23.

Dan begint de ene slak met oversteken.

a)

begint

b)

slak

c)

de ene slak

24.

'Niet doen, niet doen,' roept de andere slak verschrikt.

a)

Niet doen

b)

roept

c)

slak

d)

de andere slak

25.

'Over een uur komt er een bus langs.'

a)

een bus

b)

uur

c)

komt

26.

Niks, Niemand en Gek zitten op een boot.

a)

zitten

b)

boot

c)

Niks, Niemand en Gek

27.

Plotseling valt Niemand in het water.

a)

Niemand

b)

Plotseling

c)

valt

28.

Niks vraagt Gek om te bellen voor hulp.

a)

Niks

b)

Gek

c)

bellen

29.

Uit zijn jaszak haalt hij een mobieltje.

a)

jaszak

b)

haalt

c)

hij

30.

'Hallo, ik ben Gek en bel voor Niks.'

a)

ik

b)

bel

c)

Niks

31.

'Want Niemand is in het water gevallen.'

a)

Niemand

b)

water

c)

gevallen