wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoordspelling

Total questions: 35

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Jan (worden) morgen 17 jaar oud.

a)

word

b)

wordt

2.

Janneke (hebben) gisteren haar rijbewijs gehaald.

a)

heb

b)

hebt

c)

heef

d)

heeft

3.

(Worden) Klaas opgehaald door zijn vader?

a)

Worden

b)

Word

c)

Wordt

4.

Zondag (gebeuren) er niks op de weg!

a)

gebeuren

b)

gebeurt

c)

gebeurd

5.

Wat is er zondag bij Expeditie Robinson (gebeuren)?

a)

gebeuren

b)

gebeurt

c)

gebeurd

6.

Gisteravond (hebben) zij Utopia gekeken.

a)

hebben

b)

heb

c)

hadden

d)

had

7.

De stam van een werkwoord vind je door van het hele werkwoord -en af te halen.

a)

Waar

b)

Niet waar

8.

De stam van staan (en bestaan, weerstaan, enz.) is sta.

a)

Waar

b)

Niet waar

9.

De stam van doen (en omdoen, uitdoen, enz.) is doe.

a)

Waar

b)

Niet waar

10.

Infinitieven zijn geen hele werkwoorden.

a)

Waar

b)

Niet waar

11.

Werkwoordsvormen als gefietst, gekocht, gebeurd en verdeeld noemen we voltooide deelwoorden.

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

Wat voor een werkwoord is huilend in de volgende zin: Huilend liep Marloes naar de bushalte.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord

c)

onvoltooid deelwoord

d)

infinitief

13.

Wat voor een werkwoord is liep in de volgende zin: Huilend liep Marloes naar de bushalte.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord

c)

onvoltooid deelwoord

d)

infinitief

14.

Wat voor een werkwoord is heb in de volgende zin: Vanmorgen heb ik zakgeld aan mijn vader gevraagd.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord

c)

onvoltooid deelwoord

d)

infinitief

15.

Wat voor een werkwoord is gevraagd in de volgende zin: Vanmorgen heb ik zakgeld aan mijn vader gevraagd.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord

c)

onvoltooid deelwoord

d)

infinitief

16.

Wat voor een werkwoord is zullen in de volgende zin: Wij zullen die oefening morgen maken.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord

c)

onvoltooid deelwoord

d)

infinitief

17.

Wat voor een werkwoord is zal in de volgende zin: Zij zal het wel gedaan hebben.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord

c)

onvoltooid deelwoord

d)

infinitief

18.

Wat voor een werkwoord is gedaan in de volgende zin: Zij zal het wel gedaan hebben.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord

c)

onvoltooid deelwoord

d)

infinitief

19.

Wat voor een werkwoord is hebben in de volgende zin: Zij zal het wel gedaan hebben.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord

c)

onvoltooid deelwoord

d)

infinitief

20.

Hij (voorbereiden) elke dag zijn werk goed voor.

a)

bereid

b)

bereidt

21.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord tussen haakjes. Ik heb een taart ... (bakken).

(a)  

22.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord tussen haakjes. Jan is vorige week door een hond ... (bijten).

(a)  

23.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord tussen haakjes. Vorige week is er op de Kwakkenberg een ongeluk ... (gebeuren).

(a)  

24.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord tussen haakjes. Het ... elke keer als ik naar boven loop (gebeuren).

(a)  

25.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord tussen haakjes. De appel ... niet ver van de boom (vallen).

(a)  

26.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord tussen haakjes. Deze site ... niet (werken).

(a)  

27.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord tussen haakjes. De hele dag ... Heleen televisie (kijken).

(a)  

28.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord tussen haakjes. Gisteren ... zij de brief die jij naar haar hebt geschreven (beantwoorden).

(a)  

29.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord tussen haakjes. Vanmorgen ... hij op jou bij de ingang (wachten).

(a)  

30.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord tussen haakjes. Die moeder heeft haar kind ontzettend ... (verwennen).

(a)  

31.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord tussen haakjes. Dat ... ik een super raar idee (vinden)!

(a)  

32.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord tussen haakjes. ... jij van spruitjes (houden)?

(a)  

33.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord tussen haakjes. Voor het inleveren van zijn toets heeft hij de antwoorden ... (checken).

(a)  

34.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord tussen haakjes. Hij ... al zijn gegevens voor hij zijn telefoon verkocht (deleten).

(a)  

35.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord tussen haakjes. Max Verstappen ... als de beste (racen)!

(a)