wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Brugklas V/G H4+H5

Total questions: 38

Worksheet time: 32mins

Name
Class
Date
1.

Wat is geen rijmschema?

a)

AABB

b)

ABAB

c)

ABBB

d)

ABCB

2.

GEDICHT:

'Het voelt alsof ik vlieg' is een vorm van ...

(a)  

3.

Als ik leer voor geschiedenis pas ik de methode ... lezen toe

(a)  

4.

Kies de juiste tekstvorm:

Harry Potter DEEL 1

a)

Informerend

b)

Amuserend

5.

Kies de juiste tekstvorm:

AD schrijft over schaarste in de woningmarkt

a)

Informerend

b)

Amuserend

6.

Wat is geen tekstverband?

a)

Uitleggend

b)

Tegenstellend

c)

Verhalend

d)

Tijdsvolgorde

7.

Wat is het juiste begrip bij de omschrijving?

'een mens of dier pijn doen'

a)

Manipuleren

b)

Zich begeven naar

c)

Armlastig

d)

Kwellen

8.

Wat is het juiste begrip bij de omschrijving?

'wreed'

a)

Obsessie

b)

Obstakel

c)

Bruut

d)

Opzettelijk

9.

Een synoniem van kijken is...

a)

Luisteren

b)

Zien

10.

Bij redekundig ontleden, ontleed je ... de zin.

(a)  

11.

Bij taalkundig ontleden, ontleed je ... de zin.

(a)  

12.

Wat is kenmerk van een samengestelde zin?

a)

Heeft 2 of meer PV's

b)

Heeft 2 of meer OND's

c)

Heeft 2 of meer LV's

d)

Heeft 2 of meer zinsdeelstrepen

13.

Bij een hoofdzin staan PV en OND ...

(a)  

14.

WAAR of NIET WAAR?

In een zin met een NG kan ook een LV staan.

a)

WAAR

b)

NIET WAAR

15.

WAAR of NIET WAAR?

Een bijzin hoef je niet te ontleden.

a)

WAAR

b)

NIET WAAR

16.

Wat is NIET een juiste manier om de PV te vinden in een zin?

a)

Tijdsproef

b)

Vraagproef

c)

Getalproef

17.

'Hun' is een ...

a)

Persoonlijk voornaamwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Zelfstandig naamwoord

18.

Benoem het WW specifiek:

Morgen gaan wij samen naar school.

'gaan' = ...

(a)  

19.

Benoem het WW specifiek:

Hij is al jaren verliefd op zijn buurmeisje.

'is' = ...

(a)  

20.

Mijn broertje heeft gisteren mijn nieuwe speelgoed (slopen).

(a)  

21.

Heb je hem niets (vertellen)?

(a)  

22.

Wat is het verkleinwoord van:

'ketting'

(a)  

23.

Wat is het verkleinwoord van:

'oma'

(a)  

24.

Wat is het verkleinwoord van:

'baby'

(a)  

25.

Tijdens het lezen viel hij in slaap.

'tijdens het lezen' =

a)

MV

b)

PV

c)

BWB

d)

OND

26.

Ik vroeg gisteren of hij met me mee wilde eten.

'gisteren' = ...

a)

PV

b)

OND

c)

LV

d)

BWB

27.

Mijn moeder bakt een taart voor mijn oma.

'mijn moeder' =

a)

PV

b)

OND

c)

LV

d)

MV

28.

Mijn moeder bakt een taart voor mijn oma.

'een taart' = ...

a)

PV

b)

OND

c)

LV

d)

MV

29.

Mijn moeder bakt een taart voor mijn oma.

'voor mijn oma' = ...

a)

PV

b)

OND

c)

LV

d)

MV

30.

De vier tekstdoelen van een tekst:

Informeren - ... - activeren - betogen

(a)  

31.

Een betoog heeft een (tweedeling/driedeling)

(a)  

32.

'daarom' is een ... verband

a)

Redengevend

b)

Concluderend

33.

'dus' is een ... verband

a)

Redengevend

b)

Concluderend

34.

Een ... geeft extra informatie in een zin.

a)

BWB

b)

OND

c)

LV

35.

*Antwoord in afkortingen

Gisteren is mijn fiets gestolen.

'gisteren' = ...

(a)  

36.

*Antwoord in afkortingen

Ik had hem voor mijn huis geparkeerd.

'voor mijn huis' = ...

(a)  

37.

*Antwoord in afkortingen

Ik had hem voor mijn huis geparkeerd.

'hem' = ...

(a)  

38.

*Antwoord in afkortingen

Ik had hem voor mijn huis geparkeerd.

'ik' = ...

(a)