wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Leerjaar 2 Taalverrijking, periode 1, Aardrijkskundige namen.

Total questions: 33

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Dijk

a)

Een ophoging die gemaakt is om een land of een gedeelte ervan tegen water te beschermen.

b)

Een overheidsorgaan met de taak om water te beheren in een gebied.

c)

Door de mens gemaakte heuvel waarop een huis of boerderij staat.

2.

Dam

a)

Een ophoging die gemaakt is om een land of een gedeelte ervan tegen water te beschermen.

b)

Door de mens gemaakte waterscheiding met aan beide kanten water, welke van elkaar gescheiden moeten blijven.

c)

Serie bouwwerken voor kustbescherming n.a.v. de watersnoodramp.

3.

Duin

a)

Zandheuvel aan de kust welke is ontstaan door de natuur, beschermt het achterland tegen de zee.

b)

Serie bouwwerken voor kustbescherming n.a.v. de watersnoodramp.

c)

Natuurramp in 1953, een groot deel van Nederland komt onder water te staan.

4.

Watersnoodramp

a)

Een ophoging die gemaakt is om een land of een gedeelte ervan tegen water te beschermen.

b)

Een overheidsorgaan met de taak om water te beheren in een gebied.

c)

Natuurramp in 1953, een groot deel van Nederland komt onderwater te staan.

5.

Deltawerken

a)

Serie bouwwerken voor kustbescherming n.a.v. de watersnoodramp.

b)

Door de mens gemaakte waterscheiding met aan beide kanten water, welke van elkaar gescheiden moet blijven.

c)

Door de mens gemaakte heuvel waarop een huis of boerderij staat.

6.

Waterschap

a)

Serie bouwwerken voor kustbescherming n.a.v. de watersnoodramp.

b)

Een overheidsorgaan met de taak om water te beheren in een gebied.

c)

Zandheuvel aan de kust welke is ontstaan door de natuur, beschermt het achter land tegen de zee.

7.

Terp

a)

Door de mens gemaakte heuvel waarop een huis of boerderij staat.

b)

Zandheuvel aan de kust welke is ontstaan door de natuur, beschermt het achterland tegen de zee.

c)

Door de mens gemaakte waterscheiding met aan beiden kanten water, welke van elkaar gescheiden moeten blijven.

8.

Landschap

a)

Uiterlijk van het gebied.

b)

Gedroogd veen, dit is te gebruiken als brandstof.

c)

Door de mens gemaakte heuvel waarop een huis of boerderij staat.

9.

NAP

a)

Een ophoging die gemaakt is om een land of een gedeelte ervan tegen water te beschermen.

b)

Normaal Amsterdams Peil, water op zeeniveau.

c)

Een overheidsorgaan met de taak om water te beheren in een gebied.

10.

Veen

a)

Heel fijn zand wat alleen in Limburg voorkomt, het is heel vruchtbaar en waait makkelijk mee met de wind. Komt uit de laatste ijstijd.

b)

Zandheuvel aan de kust welke is ontstaan door de natuur, beschermt het achterland tegen de zee.

c)

Halfvergane plantenresten welke onder water liggen.

11.

Turf

a)

Gedroogd veen, dit is te gebruiken als brandstof.

b)

Serie bouwwerken voor kunstbescherming n.a.v. de watersnoodramp.

c)

Halfvergane plantenresten welke onder water liggen.

12.

Löss

a)

Een ophoging die gemaakt is om een land of een gedeelte ervan tegen water te beschermen.

b)

Een overheidsorgaan met de taak om water te beheren in een gebied.

c)

Heel fijn zand wat alleen in Limburg voorkomt, het is heel vruchtbaar en waait makkelijk mee met de wind. Komt uit de laatste ijstijd.

13.

Adel

a)

Rijke en machtige mensen die land bezitten.

b)

Mensen die zich verzetten tegen de Spaanse koning.

c)

Mensen die in opstand (protest) komen tegen de katholieke kerk.

14.

Beeldenstorm

a)

Mensen die zich verzetten tegen de Spaanse koning.

b)

Iemand die het land bestuurd namens de koning/keizer.

c)

Boze mensen die beelden van de kerk slopen.

15.

Bestand

a)

Afspraak.

b)

iemand die het land bestuurd namens de koning/keizer.

c)

Bevestigen.

16.

Erft (erven)

a)

Overnemen bij overlijden (bezittingen)

b)

Iemand in het openbaar martelen.

c)

Iemand die het land bestuurd namens de koning/keizer.

17.

Erkend

a)

Bevestigen

b)

Een soort provincie. Nederland bestond uit 17 gewesten

c)

Meest machtige ambtenaar van de Republiek en hij leidt vergaderingen

18.

Foltering

a)

Iemand in het openbaar martelen

b)

Boze mensen die beelden van de kerk slopen

c)

Christelijke kerk, hoofdzetel in Rome. Paus is de baas

19.

Geuzen

a)

Mensen die zich verzetten tegen de Spaanse koning.

b)

Iemand die het land bestuurd namens de koning/keizer.

c)

Vinden dat de kerk niet volgens de Bijbel leeft en dat moet wel.

20.

Gewesten

a)

Wanneer je iets wilt veranderen.

b)

Boze mensen die beelden van de kerk slopen.

c)

Een soort provincie. Nederland bestond uit 17 gewesten.

21.

Hervormers

a)

Mensen die zich verzetten tegen de Spaanse koning.

b)

Wanneer je iets wilt veranderen.

c)

Mensen die in opstand (protest) komen tegen de katholieke kerk.

22.

Katholieke kerk

a)

Christelijke kerk, hoofdzetel in Rome. Paus is de baas.

b)

Afspraak.

c)

Mensen die vinden dat de kerk moet veranderen.

23.

Ketters

a)

Vinden dat de kerk niet volgens de Bijbel leeft en dat moet wel.

b)

Mensen die zich verzetten tegen de Spaanse koning.

c)

Mensen die vinden dat de kerk moet veranderen.

24.

Landvoogdes

a)

Iemand die het land bestuurd namens de koning/keizer.

b)

Iemand in het openbaar martelen.

c)

Meest machtige ambtenaar van de Republiek en hij leidt vergaderingen.

25.

Protestanten

a)

Mensen die in opstand (protest) komen tegen de katholieke kerk.

b)

Mensen die vinden dat de kerk moet veranderen.

c)

Mensen die zich verzetten tegen de Spaanse koning.

26.

Raadpensionaris

a)

Meest machtige ambtenaar van de Republiek en hij leidt vergaderingen.

b)

Boze mensen die beelden van de kerk slopen.

c)

Iemand die het land bestuurd namens de koning/keizer.

27.

Reformatie

a)

Berechten of straf geven.

b)

Vinden dat de kerk niet volgens de Bijbel leeft en dat moet wel.

c)

Een soort provincie. Nederland bestond uit 17 gewesten.

28.

Vervolgen

a)

Berechten of straf geven.

b)

Wanneer je iets wilt veranderen.

c)

Bevestigen.

29.

VOC

a)

Tropische boerderij.

b)

Verenigde Oost-Indische Compagnie; organisatie die handel drijft met Azië. Mag ook oorlog voeren en recht spreken.

c)

Kruiden.

30.

WIC

a)

West-Indische Compagnie; organisatie die handel drijft met Afrika en Amerika. Mag ook oorlog voeren en recht spreken. Amerika werd West-Indië genoemd.

b)

Verenigde Oost-Indische Compagnie

c)

Gedwongen worden te werken voor een ander.

31.

Driehoekshandel

a)

Gedwongen worden te werken voor een ander.

b)

Handel tussen Europa, Afrika en Amerika in slaven en plantageproducten.

c)

Tropische boerderij.

32.

Plantage

a)

Tropische boerderij.

b)

Kruiden.

c)

Verenigde Oost-Indische Compagnie

33.

Specerijen

a)

Kruiden.

b)

Gedwongen worden te werken voor een ander.

c)

Tropische boerderij.