wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2 havo Woordenschat H1en 2

Total questions: 40

Worksheet time: 2hrs 0mins

Name
Class
Date
1.

gangbaar

a)

regel

b)

nogal, tamelijk

c)

gewoon

d)

plaatselijke

2.

standaard

a)

norm, regel

b)

gewoon

c)

plaatselijke

d)

iedereen

3.

relatief

a)

gewoon

b)

gebonden

c)

regel

d)

nogal, tamelijke

4.

demonstreren

a)

duidelijk maken

b)

voorstellen

c)

gebonden

d)

niet in woorden; in gebaren

5.

kwelling

a)

langdurige en saaie

b)

grote last

c)

niet in woorden; in gebaren

d)

gebonden

6.

non-verbaal

a)

grote last

b)

helemaal nooit

c)

duidelijk maken

d)

niet in woorden; in gebaren

7.

buigen als een knipmes

a)

zeer onderdanig doen

b)

hevig vechten

c)

heel onbehouwen, bot

d)

zorgeloos, gemakkelijk leven

8.

zo oud als de weg naar Rome

a)

stokdoof

b)

voortdurend aan het woord

c)

heel dicht op elkaar

d)

heel erg oud

9.

als haringen in een ton

a)

hevig vechten

b)

heel dicht op elkaar

c)

heel veel roken

d)

heel erg oud

10.

zo klaar als een klontje

a)

volkomen eerlijk

b)

volkomen duidelijk

c)

volkomen zwijgen

d)

helemaal juist zijn

11.

kloppen als een zwerende vinger

a)

helemaal juist zijn

b)

volkomen duidelijk

c)

volkomen eerlijk

d)

volkomen zwijgen

12.

zo brutaal als de beul

a)

alles wegnemen

b)

voortdurend aan het woord

c)

heel onbehouwen, bot

d)

hevig vechten

13.

stelen als de raven

a)

alles wegnemen

b)

zorgeloos, gemakkelijk leven

c)

heel hard werken

d)

heel veel roken

14.

werken als een paard

a)

hevig bloeden

b)

zorgeloos, gemakkelijk leven

c)

voortdurend aan het woord

d)

heel hard werken

15.

leven als een God in Frankrijk

a)

heel hard werken

b)

zeer onderdanig doen

c)

zorgeloos, gemakkelijk leven

d)

heel dicht op elkaar

16.

verkassen

a)

verhuizen

b)

beroepen

c)

aanpassen

d)

kapot maken

17.

ruïneren

a)

verhuizen

b)

aanpassen

c)

kapot maken

d)

oude gebouwen, overblijfsels van een vroegere cultuur

18.

lucratieve

a)

winstgevende

b)

beroemde

c)

duidelijke, heldere, realistische

d)

kerkelijke

19.

gerenommeerde

a)

winstgevende

b)

kerkelijke

c)

beroemde

d)

hedendaagse

20.

sleutelen

a)

verhuizen

b)

aanpassen

c)

overdenken, bedenken

d)

gebruiken voor advies

21.

oppert

a)

stelt voor

b)

biedt onderdak aan

c)

aanpassen

d)

overdenken, bedenken

22.

concrete

a)

winstgevende

b)

duidelijk, heldere, realistische

c)

beroemde

d)

hedendaagse

23.

(de) exploitatie

a)

centraal vertrekpunt

b)

ontdekkingstochten

c)

doolhof

d)

winstgevend maken

24.

bestand zijn tegen

a)

kunnen verdragen

b)

biedt onderdak aan

c)

kapot maken

d)

behoefte hebben aan

25.

Hij heeft een gat in zijn hand.

a)

Hij doet zijn best niet.

b)

Hij geeft te gemakkelijk geld uit.

c)

Hij werd heel erg bang.

d)

Hij heeft er enorm veel spijt van.

26.

Het loopt af met een sisser.

a)

Het laatste gedeelte van iets is het moeilijkst.

b)

Doen alsof er niets aan de hand is.

c)

Het probleem leek heel groot, maar viel uiteindelijk mee.

d)

Het levert dubbel voordeel op.

27.

Ze trekt zich de haren uit het hoofd.

a)

Ze heeft er enorm veel spijt van.

b)

Ze zegt wat ik net wilde zeggen.

c)

Je mag niet klagen over de kwaliteit van iets wat je gekregen hebt.

d)

Wie schuldig is, moet zich aangesproken voelen.

28.

Ze draagt het hart op de tong.

a)

Ze heeft er enorm veel spijt van.

b)

(praten over) van alles en nog wat.

c)

Ze zegt wat ik net wilde zeggen.

d)

Ze zegt direct wat ze denkt, zonder er bij na te denken.

29.

Dat is het neusje van de zalm.

a)

Het probleem leek heel groot, maar viel uiteindelijk mee.

b)

Dat is de allerbeste kwaliteit.

c)

Tevoorschijn, naar voren komen.

d)

Het levert dubbel voordeel op.

30.

Je moet een gegeven paard niet in de bek kijken.

a)

Je mag niet klagen over de kwaliteit van iets wat je gekregen hebt.

b)

Wie schuldig is, moet zich aangesproken voelen.

c)

Doen alsof er niets aan de hand is.

d)

Het levert dubbel voordeel op.

31.

Hij gooit er met de pet naar.

a)

Hij werd heel erg bang

b)

Hij geeft te gemakkelijk geld uit.

c)

Hij heeft er enorm veel spijt van.

d)

Hij doet zijn best niet.

32.

In het oog springen.

a)

De aandacht trekken.

b)

Begrijpelijk maken, betekenis geven.

c)

Tevoorschijn, naar voren komen.

d)

Opschrijven.

33.

kleur geven

a)

begrijpelijk maken, betekenis geven

b)

doen alsof er niets aan de hand is

c)

opschrijven

d)

de aandacht trekken

34.

zijn kop in het zand steken

a)

de aandacht trekken

b)

doen alsof er niets aan de hand is; geen actie ondernemen

c)

Hij doet zijn best niet.

d)

Wie schuldig is, moet zich aangesproken voelen.

35.

net een spraakwaterval

a)

voortdurend aan het woord

b)

heel onbehouwen, bot

c)

volkomen zwijgen

d)

Ze zegt wat ik net wilde zeggen.

36.

internationaal

a)

iedereen

b)

op de hele wereld

c)

plaatselijke

d)

nieuwe

37.

vechten als een ...

a)

kwartel

b)

paard

c)

leeuw

d)

rund

38.

zo doof als een ...

a)

paard

b)

rund

c)

leeuw

d)

kwartel

39.

Als het kalf verdronken is, dempt men ...

a)

de put.

b)

de sloot.

c)

de rivier.

d)

het gat.

40.

praten over ... = praten over van alles en nog wat

a)

varkentjes en biggetjes

b)

koetjes en kalfjes

c)

schaapjes en lammetjes

d)

kippen en kuikentjes