Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Spelling (6) - Grammatica blok 6

Total questions: 20

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het onderwerp in de zin?


In het hol onder de grond slapen de konijnen.

a)

de konijnen

b)

in het hol

c)

de grond

d)

slapen

2.

Wat is de persoonsvorm in de zin?


Bram valt languit in het smerige slootje.

a)

smerige

b)

slootje

c)

valt

d)

Bram

3.

Wat is de persoonsvorm in de zin?


De orkaan verwoest de houten huizen.

a)

De orkaan

b)

verwoest

c)

de houten

d)

huizen

4.

Wat is het onderwerp in de zin?


Wist Jan het antwoord op de vraag?

a)

Wist

b)

Jan

c)

het antwoord

d)

de vraag

5.

Wat is het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord?


Over de betonnen vloer kruipt een dikke spin.

a)

betonnen

b)

vloer

c)

dikke spin

d)

kruipt

6.

Wat is het voorzetsel?


Wanneer gaat Milan trouwen met Rosa?

a)

gaat

b)

met

c)

trouwen

d)

Rosa

7.

Wat is het voegwoord?


Ik eet veel pasta, maar de sla lust ik niet.

a)

eet

b)

maar

c)

de sla

d)

ik

8.

Wat is het lidwoord?


In de mand liggen twee poezen.

a)

In

b)

de

c)

poezen

d)

mand

9.

Welke tijd?


Hij spoot de anderen nat.

a)

tegenwoordige tijd

b)

verleden tijd

c)

voltooide tijd

10.

Welke tijd?


Rob rende voor zijn leven.

a)

tegenwoordige tijd

b)

verleden tijd

c)

voltooide tijd

11.

Welke tijd?


Werd hij gisteren 50 jaar?

a)

tegenwoordige tijd

b)

verleden tijd

c)

voltooide tijd

12.

Welke tijd?


Ik ben gered door de badmeester.

a)

tegenwoordige tijd

b)

verleden tijd

c)

voltooide tijd

13.

Welke tijd?


Wij verrassen haar met een bloemetje.

a)

tegenwoordige tijd

b)

verleden tijd

c)

voltooide tijd

14.

Schrijf de juiste vorm van het werkwoord in de zin, in de tegenwoordige tijd.


(vergeten)


De acteur ... zijn schmink af te doen.

(a)  

15.

Schrijf de juiste vorm van het werkwoord in de zin, in de tegenwoordige tijd.


(zetten)


Zij ... een kopje thee voor mij.

(a)  

16.

Schrijf de juiste vorm van het werkwoord in de zin, in de tegenwoordige tijd.


(verblinden)


... jij Kasper met de zaklamp?

(a)  

17.

Schrijf de juiste vorm van het werkwoord in de zin, in de tegenwoordige tijd.


(leiden)


De hond (a)   de blinde man naar de overkant.

18.

Schrijf de juiste vorm van het werkwoord in de zin, in de tegenwoordige tijd.


(branden)


Ik (a)   mijn vingers aan de hete pan.

19.

Welk onderdeel van de grammatica vind je nog lastig?


Je kunt meerdere antwoorden geven.

a)

Het onderwerp vinden in de zin.

b)

De persoonsvorm vinden in de zin.

c)

Het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord herkennen.

d)

Tegenwoordige tijd met STAM + t

e)

De voltooide tijd herkennen.

20.

Dit vind ik soms nog lastig:


Je mag meerdere antwoorden geven.

a)

persoonsvorm (vraagzin)

b)

onderwerp (wie/wat + persoonsvorm)

c)

tegenwoordige tijd stam+t

d)

voltooide tijd herkennen

e)

niets