WorksheetsSpelling (6) - Grammatica blok 6
Total questions: 20
Worksheet time: 20mins
Wat is het onderwerp in de zin?
In het hol onder de grond slapen de konijnen.
de konijnen
in het hol
de grond
slapen
Wat is de persoonsvorm in de zin?
Bram valt languit in het smerige slootje.
smerige
slootje
valt
Bram
Wat is de persoonsvorm in de zin?
De orkaan verwoest de houten huizen.
De orkaan
verwoest
de houten
huizen
Wat is het onderwerp in de zin?
Wist Jan het antwoord op de vraag?
Wist
Jan
het antwoord
de vraag
Wat is het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord?
Over de betonnen vloer kruipt een dikke spin.
betonnen
vloer
dikke spin
kruipt
Wat is het voorzetsel?
Wanneer gaat Milan trouwen met Rosa?
gaat
met
trouwen
Rosa
Wat is het voegwoord?
Ik eet veel pasta, maar de sla lust ik niet.
eet
maar
de sla
ik
Wat is het lidwoord?
In de mand liggen twee poezen.
In
de
poezen
mand
Welke tijd?
Hij spoot de anderen nat.
tegenwoordige tijd
verleden tijd
voltooide tijd
Welke tijd?
Rob rende voor zijn leven.
tegenwoordige tijd
verleden tijd
voltooide tijd
Welke tijd?
Werd hij gisteren 50 jaar?
tegenwoordige tijd
verleden tijd
voltooide tijd
Welke tijd?
Ik ben gered door de badmeester.
tegenwoordige tijd
verleden tijd
voltooide tijd
Welke tijd?
Wij verrassen haar met een bloemetje.
tegenwoordige tijd
verleden tijd
voltooide tijd
Schrijf de juiste vorm van het werkwoord in de zin, in de tegenwoordige tijd.
(vergeten)
De acteur ... zijn schmink af te doen.
(a)
Schrijf de juiste vorm van het werkwoord in de zin, in de tegenwoordige tijd.
(zetten)
Zij ... een kopje thee voor mij.
(a)
Schrijf de juiste vorm van het werkwoord in de zin, in de tegenwoordige tijd.
(verblinden)
... jij Kasper met de zaklamp?
(a)
Schrijf de juiste vorm van het werkwoord in de zin, in de tegenwoordige tijd.
(leiden)
De hond (a) de blinde man naar de overkant.
Schrijf de juiste vorm van het werkwoord in de zin, in de tegenwoordige tijd.
(branden)
Ik (a) mijn vingers aan de hete pan.
Welk onderdeel van de grammatica vind je nog lastig?
Je kunt meerdere antwoorden geven.
Het onderwerp vinden in de zin.
De persoonsvorm vinden in de zin.
Het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord herkennen.
Tegenwoordige tijd met STAM + t
De voltooide tijd herkennen.
Dit vind ik soms nog lastig:
Je mag meerdere antwoorden geven.
persoonsvorm (vraagzin)
onderwerp (wie/wat + persoonsvorm)
tegenwoordige tijd stam+t
voltooide tijd herkennen
niets
