wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

taal - blok 6

Total questions: 25

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent pv?

a)

persoonsverwisseling

b)

persoonlijk voornaamwoord

c)

persoonlijke vriend

d)

persoonsvorm

2.

Wat is de persoonsvorm?

a)

een werkwoord

b)

een bijwoord

c)

een naamwoord

3.

In welke zin is de persoonsvorm onderstreept?

a)

Tante Nel heeft een prachtige brommer.

b)

Tante Nel heeft een prachtige brommer.

c)

Tante Nel heeft een prachtige brommer.

d)

Tante Nel heeft een prachtige brommer.

4.

in welke zin is de persoonsvorm onderstreept?

a)

Oom Ruud kocht een lekker ijsje.

b)

Oom Ruud kocht een lekker ijsje.

c)

Oom Ruud kocht een lekker ijsje.

d)

Oom Ruud kocht een lekker ijsje.

5.

In welke zin staan de strepen tussen de zinsdelen goed?

a)

Oom I Ruud I kocht I een lekker I ijsje.

b)

Oom Ruud I kocht I een lekker ijsje.

c)

Oom Ruud I kocht een I lekker ijsje.

d)

Oom Ruud I kocht een lekker ijsje.

6.

In welke zin staan de strepen tussen de zinsdelen goed?

a)

Tante Ria I nam I koekjes I mee.

b)

Tante Ria I nam I koekjes mee.

c)

Tante I Ria I nam I koekjes I mee.

d)

Tante Ria I nam koekjes mee.

7.

In welke zin staat het onderstreepte woord goed?

a)

Marit kan zelf een knoop aan haar spijkerbroek creatief.

b)

Marit kan zelf een knoop aan haar spijkerbroek benodigdheden.

c)

Marit kan zelf een knoop aan haar spijkerbroek zelden.

d)

Marit kan zelf een knoop aan haar spijkerbroek bevestigen.

8.

In welke zin staat het onderstreepte woord goed?

a)

Om iets nieuws te bedenken, moet je zelden zijn.

b)

Om iets nieuws te bedenken, moet je creatief zijn.

c)

Om iets nieuws te bedenken, moet je benodigdheden zijn.

d)

Om iets nieuws te bedenken, moet je bevestigen zijn.

9.

In welke zin staat het onderstreepte woord goed?

a)

De toets was te zelden voor de kinderen.

b)

De toets was te benodigdheden voor de kinderen.

c)

De toets was te creatief voor de kinderen.

d)

De toets was te eenvoudig voor de kinderen.

10.

In welke zin staat het onderstreepte woord goed?

a)

Joris schrijft de eenvoudig voor de klus op het lijstje.

b)

Joris schrijft de benodigdheden voor de klus op het lijstje.

c)

Joris schrijft de creatief voor de klus op het lijstje.

d)

Joris schrijft de textiel voor de klus op het lijstje.

11.

Wat betekent het onderdeel?

a)

een deel van iets

b)

het onderste deel

12.

Wat betekent vormgeven?

a)

een vorm bedenken voor iets

b)

een vorm kiezen voor een taart

13.

Wat betekent samenstellen?

a)

van losse delen één geheel maken

b)

twee stellen samenbrengen

14.

Wat betekent het materiaal?

a)

de som waarvan je iets maakt.

b)

de stof waarvan je iets maakt.

15.

Welk woord past het beste achter de zin?

Als je iets moeilijk vindt, is het ....

a)

hobby

b)

simpel

c)

ingewikkeld

d)

mengen

16.

Welk woord past het beste achter de zin?

Dingen door elkaar doen is hetzelfde als ....

a)

hobby

b)

ingewikkeld

c)

simpel

d)

mengen

17.

Welk woord past het beste achter de zin?

Wat je graag in je vrije tijd doet, noem je een ....

a)

hobby

b)

simpel

c)

ingewikkeld

d)

mengen

18.

Maak de woordtrap af.

nooit - zelden- ....

a)

constant

b)

ten slotte

c)

allereerst

d)

vervolgens

19.

Maak de woordtrap af.

allereerst - vervolgens - ....

a)

constant

b)

nooit

c)

ten slotte

d)

zelden

20.

Wat betekent afspreken?

a)

samen bedenken

b)

samen besluiten

c)

samenwerken

21.

Wat betekent een poos?

a)

een maand

b)

een seconde

c)

een tijd

22.

Welk woord mist er in de zin?

Sanne liet zich .... en deed toch aan het spel mee.

a)

zich voorstellen

b)

ompraten

c)

aldoor

d)

tempo

23.

Welk woord mist er in de zin?

Maak eens een beetje ....! Je fietst zo langzaam!

a)

zich voorstellen

b)

aldoor

c)

ompraten

d)

tempo

24.

Welk woord mist er in de zin?

Timor kan .... dat hij beroemd wordt.

a)

zich voorstellen

b)

ompraten

c)

aldoor

d)

tempo

25.

Wek woord mist er in de zin?

Bakir zit .... te gapen zo moe is hij.

a)

zich voorstellen

b)

aldoor

c)

ompraten

d)

tempo