Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Geluid

Total questions: 35

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Elektromagnetische stralen hebben ... om zich voort te planten.

a)

Geen middenstof

b)

Een middenstof

2.

Geluid heeft ... om zich voort te planten.

a)

een middenstof

b)

geen middenstof

3.

Geluid plant zich het snelste voort in ...

a)

een gas.

b)

een vloeistof.

c)

een vaste stof.

4.

Het aantal bewegingen in één seconde is de ...

a)

golflengte

b)

frequentie

c)

periode

5.

Wat is geen geluid?

a)

Een trilling

b)

Een drukverandering

c)

Een golf

d)

Een decibel

6.

Het begint te onweren. Je ziet een bliksem en 4 seconden later hoor je het gerommel.

Bereken hoever het onweer nog bij je vandaan is.

1 de snelheid van het geluid = _____ m/s; de tijd = _____ s

2 hoever het onweer nog bij je vandaan is

3 afstand = snelheid x tijd

4 afstand = ______ x _____ = __________

5 De afstand tot de blikseminslag is __________ m.

Antwoord: Alleen regel 5. (geen eenheid)

(a)  

7.

Frequentie wordt uitgedrukt in

a)

Decibel

b)

Hertz

c)

Joule

d)

Watt

8.

De tijdinstelling van de drie oscilloscoopschermen is 1 ms per hokje.

Welke zin is fout?

a)

In scherm C is een zachte toon afgebeeld.

b)

In scherm B is een lage toon afgebeeld.

c)

In scherm C is de laagste toon afgebeeld.

d)

In scherm A en scherm C is dezelfde toonhoogte afgebeeld.

9.

Hoeveel verschillende stemvorken zijn er gebruikt voor de drie oscilloscoopbeelden?

(a)  

10.

De onderste gehoorgrens van de mens ligt bij?

a)

20 Hz

b)

50 Hz

c)

20 dB

d)

50 dB

11.

In een audiogram wordt het gehoor van iemand weer gegeven. Hz is de eenheid voor de toonhoogte, dB de eenheid voor de geluidsterkte om die toon te kunnen waarnemen. Bv om een toon van 500 Hz waar te nemen moet het geluid geproduceerd worden met minstens 20dB.

a)

Dit audiogram is waarschijnlijk van een kind. De hoge tonen worden vlot waargenomen.

b)

Dit audiogram is waarschijnlijk van een volwassene.

c)

Dit audiogram is waarschijnlijk van een ouder persoon. De hoge tonen worden moeilijk waargenomen.

12.

Een audioloog bepaalt de bovenste gehoorgrens van Maureen. Hij bekomt 10 000 Hz.

Lees uit de grafiek af welke leeftijd bij deze grens hoort.

De leeftijd voor deze bovengrens is (a)   jaar ( in cijfers).

13.

Bij Maureens eigenlijke leeftijdgenoten blijkt de bovenste gehoorgrens op 7 500Hz te liggen (Maureen: 10 000 Hz). Bepaal met behulp van de grafiek de werkelijke leeftijd van Maureen.

De werkelijke leeftijd van Maureen is (a)   jaar. (in cijfers)

14.

Een dolfijn produceert een toon van 30 000 Hz.

Welke dieren zo’n toon kunnen horen?

a)

Hond, olifant, dolfijn

b)

Mens, hond, muis

c)

Mens, olifant, muis

d)

Hond, vleermuis, dolfijn

15.

Het gehoorbereik van de hond loopt van ...

a)

20 - 50 000 Hz

b)

10 - 100 000 Hz

c)

20 - 20 000Hz

d)

10 - 50 000 Hz

16.

Vleermuizen maken gebruik van 'sonar'. Dit doen ze door middel van ...

a)

Ultrasone geluiden

b)

Infrasone geluiden

17.

Geluidssterkte wordt uitgedrukt in

a)

Joule

b)

Hertz

c)

Decibel

d)

Watt

18.

Waaraan kun je zien of een geluid hard of zacht is?

a)

De trillingstijd

b)

De amplitude

c)

De frequentie

d)

De snelheid

19.

Wat zorgt ervoor dat een geluid versterkt wordt?

a)

De klankkast

b)

De trillingstijd

c)

Het medium

d)

De amplitude

20.

De violiste op de foto verandert met haar vingers de toonhoogte van de viool door ...

a)

de dikte van de snaar, harder te spelen, de lengte van de snaar

b)

zachter te spelen, de spanning op de snaar te veranderen, de lengte van de snaar

c)

de dikte van de snaar, de spanning op de snaar te veranderen, de lengte van de snaar

21.

Bij een lage frequentie hoor je een hoge toon.

a)

Juist!

b)

Fout, je hoort een lage toon.

22.

Bij geluidsniveau is er een logaritmische schaal waarbij men een onderscheid maakt tussen ...

a)

een stiltedrempel, geluidsdrempel en pijndrempel.

b)

een geluidsdrempel, schadedrempel en pijndrempel.

c)

een stiltedrempel, schadedrempel en pijndrempel.

d)

een stiltedrempel, geluidsdrempel en schadedrempel.

23.

Ultrasoon geluid is geluid dat ...

a)

buiten onze gehoorgrenzen valt.

b)

een frequentie heeft lager dan 20 Hz.

c)

hoorbaar is voor verschillende diersoorten (bv olifanten).

d)

een frequentie heeft hoger dan 20 kHz.

e)

hoorbaar is voor verschillende diersoorten (bv vleermuizen).

24.

Een ambulance rijdt van je weg, ...

a)

je hoort een schijnbaar hogere frequentie dan normaal.

b)

je hoort een zelfde frequentie dan normaal.

c)

je hoort een schijnbaar lagere frequentie dan normaal.

25.

Je kan een toon veranderen door ...

a)

de resonantie (eigenfrequentie)

b)

de toonklank (timbre)

c)

de geluidssnelheid (middenstof)

d)

de toonhoogte (frequentie)

e)

de toonsterkte (amplitude)

26.

De snelheid van geluid is afhankelijk van ...

a)

temperatuur en oppervlak

b)

oppervlak en middenstof

c)

temperatuur en middenstof

d)

middenstof en oppervlak

27.

Infrasoon geluid is geluid dat ...

a)

binnen onze gehoorgrenzen valt.

b)

buiten onze gehoorgrenzen valt.

c)

een frequentie heeft lager dan 20 Hz.

d)

hoorbaar is voor bepaalde dieren (olifanten).

e)

ontstaan bij aardbevingen.

28.

Ons gehoorbereik ...

a)

is tussen 20 dB en 20 kdB

b)

is tussen 20 Hz en 20 kHz.

c)

vermindert naarmate dat we ouder worden.

d)

verkleint naarmate dat je gehoorschade oploopt.

e)

is afhankelijk van de temperatuur van de lucht.

29.

Buiging is een fenomeen dat ook bij geluid waarneembaar is.

a)

Waar.

b)

Niet waar.

30.

Welke bewering klopt?

a)

Noot 1 klinkt het luidst.

b)

Noot 2 klinkt het minst luid.

c)

Noot 3 klinkt het luidst.

31.

Welke bewering klopt?

a)

Noot 1 klinkt het laagst.

b)

Noot 2 klinkt het hoogst.

c)

Noot 3 klinkt het laagst.

32.

Wat klopt voor noot 3?

a)

Noot 3 klinkt het laagst.

b)

Noot 3 klinkt het hoogst.

c)

Noot 3 klinkt het minst luid.

d)

Noot 3 klinkt het luidst.

e)

Noot 3 toont 2,5 trillingen.

33.

Het dopplereffect wordt o.a. gebruikt voor ...

a)

het stemmen van muziekinstrumenten

b)

het meten van bloedsnelheid

c)

het meten van gehoorschade

d)

snelheidscontrole (flitspaal)

34.

Resonantie ontstaat wanneer twee trillende systemen met een gelijke eigenfrequentie, gekoppeld door ee middenstof, trillen.

a)

Waar.

b)

Niet waar.

35.

Hoe groter de amplitude ...

a)

hoe stiller het geluid.

b)

hoe hoger het geluid.

c)

hoe lager het geluid.

d)

hoe luider het geluid.