wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H7 Stevigheid en Beweging

Total questions: 30

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

De onderdelen van je lichaam zijn:

a)

romp, hoofd en ledematen

b)

romp

c)

hoofd en ledematen

d)

ledematen en romp

2.
een functie van het skelet is beweging en vorm geven
a)
juist
b)
onjuist
3.
hoe heeft het bot in je bovenarm?
a)
bovenarmbeen
b)
opperarmbeen
c)
bovenbeen
4.

Aan welke kant bij de hand zit de ellepijp vast?

a)

De duim

b)

De pink

5.
welke organen worden door de de ribbenkast beschermt?
a)
hart
b)
longen
c)
hart en longen
6.
wat zijn de bestanddelen van bot
a)
lijmstof
b)
kalkstof
c)
lijmstof en kalkstof
d)
secondelijm
7.
baby's hebben dit veel in hun botten 
a)
lijmstof
b)
kalkstof
8.
Welke stof zit vooral in kraakbeen?
a)
kalkzout
b)
lijmstof
c)
zoutzuur
d)
brandstof
9.

In de loop van je leven:

a)

komen er minder kalkzouten en minder lijmstof in je botten.

b)

komen er meer kalkzouten en minder lijmstof in je botten.

c)

komt er minder kalkzouten en meer lijmstof in je botten.

d)

blijft de hoeveelheid kalkzouten en lijmstof gelijk.

10.

Welke stof verdwijnt als je een bot in zoutzuur legt?

a)

Kalk

b)

Lijmstof

11.

Welke beenverbinding zit er tussen de schedelbeenderen

a)

Kraakbeen

b)

Vergroeiiing

c)

Naadverbinding

d)

Gewricht

12.

Waar in mijn lichaam heb ik een kogelgewricht?

a)

Knie

b)

Heup

c)

Elleboog

d)

Nek

13.
nummer 2 is de?
a)
gewrichtskogel
b)
gewrichtskom
c)
gewrichtssmeer
14.
welk onderdeel zorgt voor bescherming tegen slijtage?
a)
1
b)
2
c)
3
15.
Dit onderdeel houdt alles op zijn plaats
a)
1
b)
2
c)
3
16.

Als je een spier aanspant wordt de spier:

a)

Langer en dikker

b)

Langer en dunner

c)

Korter en dikker

d)

Korter en dunner

17.

Waarmee zit een spier vast aan het bot?

a)

Kapselband

b)

Aanhechtingsplaats

c)

Spier

d)

Pees

18.

De armbuigspier (bicep) en de armtrekspier (tricep) zijn wat van elkaar?

a)

Vrienden

b)

Collega's

c)

Aartsrivalen

d)

Antagonisten

19.

Welke vorm heeft de ruggengraat?

a)

Dubbele S vorm

b)

Enkele S vorm

c)

Dubbele C vorm

d)

Enkele C vorm

20.

Wat is een ander woord voor ruggengraat?

a)

Wervelkolom

b)

Lendenwervel

c)

Halswervel

d)

Borstwervel

21.

Wat is er nodig om goed zware objecten te tillen? (Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Gedraaide rug

b)

Boven of op je hoofd tillen

c)

Gestrekte rug

d)

Sterke armen of sterke benen

e)

Door je knieën gaan

22.

Een kraakbeenschijf puilt tussen de wervels uit. Bij welke blessure hoort dit?

a)

Voetbalknie

b)

Hernia

c)

Spierkneuzing

d)

Spierpijn

23.

Dit voel je als afvalstoffen in je spieren achterblijven.

a)

Verstuiking

b)

Spierpijn

c)

Rugpijn

24.

Cooling-down bevordert de doorbloeding van de spieren om de afvalstoffen af te voeren.

a)

Juist

b)

Onjuist

25.

RSI krijg je door

a)

te sterke beweging te maken

b)

steeds dezelfde beweging te maken

c)

geen beweging

26.

Bij een tennisarm....

a)

is de aanhechtingsplaats van de elleboogspier ontstoken

b)

is je arm gebroken

c)

is de volledige spier ontstoken

d)

is de elleboog ontstoken

27.

Op welke twee manieren kan een arts een botbreuk behandelen? (Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Zetten

b)

Opereren

c)

Intapen

d)

Niets doen

28.

Je meniscus is...

a)

het harde deel in je knie

b)

een stuk kraakbeen in je knie

29.

Wat is een ontwrichting?

a)

Een botbreuk

b)

Een gewrichtskogel is uit de gewrichtskom

c)

Een kapselband is opgerekt

d)

Een verzwikking

30.

Welke blessure zie je op de foto?

a)

Verstuiking

b)

Ontwrichting

c)

Spierscheuring

d)

Botbreuk