wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal Actief gr 5 T6 gevoelens: herhaling van alle onderdelen

Total questions: 28

Worksheet time: 46mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de ik-vorm van:

vragen ?

a)

Vragen

b)

Vraag

c)

Vraagt

2.

Wat is de ik-vorm van:

proberen?

a)

Probeer

b)

Proberen

c)

Probeert

3.

Wat is de ik-vorm van:

bellen?

a)

Belt

b)

Bellen

c)

Bel

4.

Wat is de wij-vorm van:

moet?

a)

Moeten

b)

Moet

c)

Maken

5.

Wat is de wij-vorm van:

vlieg?

a)

vlieg

b)

Vliegt

c)

Vliegen

6.

Wat is de wij-vorm van:

drink?

a)

Drinkt

b)

Drinken

c)

Drink

7.

Wat is de ik-vorm van het onderstreepte werkwoord in de volgende zin:


De politie kijkt naar binnen.

a)

Kijkt

b)

Kijk

c)

Kijken

8.

Wat is de ik-vorm van het onderstreepte werkwoord in de volgende zin:


De jongen schrikt van de hond.

a)

Schrik

b)

Schrikt

c)

Schrikken

9.

Wat is de wij-vorm van het onderstreepte werkwoord in de volgende zin:


De politie kijkt naar binnen.

a)

Kijkt

b)

Kijk

c)

Kijken

10.

Wat is de wij-vorm van het onderstreepte werkwoord in de volgende zin:


De jongen schrikt van de hond.

a)

Schrikken

b)

Schrikt

c)

Schrik

11.

Vul de goede vorm in.

Kies uit: loop, loopt of lopen.


De jongen ............ naar school.

a)

Loop

b)

Loopt

c)

Lopen

12.

Vul de goede vorm in.

Kies uit: spring, springt of springen.


Ik ... de lucht in.

a)

Spring

b)

Springt

c)

Springen

13.

Vul de goede vorm in.

Kies uit: speel, speelt of spelen.


Wij ......... lekker buiten.

a)

Speel

b)

Speelt

c)

Spelen

14.

Vul de goede vorm in.

Kies uit: ren, rent of rennen.


De katten ............ door de tuin.

a)

Ren

b)

Rent

c)

Rennen

15.

Vul de goede vorm in.

Kies uit: voel, voelt of voelen.


De glijbaan ......... koud aan.

a)

Voel

b)

Voelt

c)

Voelen

16.

Vul de goede vorm in.

Kies uit: hoop, hoopt of hopen.


Ik ......... dat we snel naar school mogen.

a)

Hoop

b)

Hoopt

c)

Hopen

17.

Wat is het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord in de volgende zin?


De houten stoel is kapot.

a)

Houten

b)

Stoel

c)

Kapot

18.

Wat is het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord in de volgende zin?


De nieuwe horloge heeft een leren bandje.

a)

Nieuwe

b)

Horloge

c)

Leren

d)

Bandje

19.

Wat is het andere bijvoeglijk naamwoord in de volgende zin?


De nieuwe horloge heeft een leren bandje.

a)

Nieuwe

b)

Horloge

c)

Leren

d)

Bandje

20.

Wat is het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord in de volgende zin?


De rare man heeft een zilveren oorbel in.

a)

Rare

b)

Man

c)

Zilveren

d)

Oorbel

21.

Is het onderstreepte woord in de volgende zin letterlijk of figuurlijk gebruikt?


Een beer van een vent.

a)

Letterlijk. De man is een beer.

b)

Figuurlijk. Het is een grote man.

22.

Is het onderstreepte woord in de volgende zin letterlijk of figuurlijk gebruikt?


Hij loopt met zijn hoofd in de wolken.

a)

Letterlijk

b)

Figuurlijk

23.

Hoe wordt het onderstreepte woord in de volgende zin bedoelt?


Hij loopt met zijn hoofd in de wolken.

a)

Het hoofd van de man zit tussen de wolken.

b)

De man is heel blij.

24.

Is het onderstreepte woord in de volgende zin letterlijk of figuurlijk gebruikt?


Uit de stenen fontein spuit water.

a)

Letterlijk

b)

Figuurlijk

25.

Is het onderstreepte woord in de volgende zin letterlijk of figuurlijk gebruikt?


De vogel vloog door de lucht.

a)

Letterlijk

b)

Figuurlijk

26.

Is het onderstreepte woord in de volgende zin letterlijk of figuurlijk gebruikt?


Hij zit met lange tanden te eten.

a)

Letterlijk

b)

Figuurlijk

27.

Waar zie je iemand met lange tanden eten?

a)
b)
28.

Wat betekent met lange tanden eten?

a)

Mmmmm, dit is lekker!

b)

Mag ik nog een beetje meer?

c)

Ik vind dit echt niet lekker!