wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling voor de SET van VWO4

Total questions: 28

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Hieruit bestaat een celmembraan

a)

Fosfolipiden en eiwitten

b)

Vetzuren en cytoplasma

c)

Centrosomen en eiwitten

d)

Lysosomen en transportblaasjes

2.

Deze geven de cel zijn stevigheid en vorm

a)

Transportblaasjes

b)

Mitochondrium

c)

Celskelet

d)

Centrosoom

3.

Wat doen centrosomen?

a)

Ze transporteren suikers

b)

Ze spelen een rol bij celdeling

c)

Ze breken versleten organellen af

d)

Ze bewerken eiwitten en snoeren blaasjes af

4.

Alle bacterien zijn ……; ze hebben geen ………..

a)

Prokaryoot; celkern

b)

Prokaryoot; celwand

c)

Eukaryoot; celkern

d)

Eukaryoot; celwand

5.

Fotosynthese is

a)

Koolstofdioxide en zuurstof --> Glucose en water en energie

b)

Glucose en zuurstof --> koolstofdioxide en water en energie

c)

Koolstofdioxide en water en energie --> Glucose en zuurstof

d)

Glucose en koolstofdioxide --> zuurstof en water en energie

6.

Een vers gesneden reepje aardappel wordt in een 1.5% zoutoplossing gebracht. In deze oplossing ondergaat het reepje geen veranderingen. Daarna wordt het reepje in een 0% oplossing van het zelfde zout gelegd en verandert dan wel. Het reepje wordt:

a)

Korter en slapper

b)

Langer en slapper

c)

Korter en steviger

d)

Langer en steviger

7.

Waar vindt translatie plaats?

a)

In de kern

b)

In het cytoplasma

c)

In het lysosoom

d)

In het Golgi systeem

8.

Als het DNA codon aan de matrijsstreng TAC is, wat is dan het aminozuur dat hierbij hoort:

a)

Met

b)

Lys

c)

Pro

d)

Arg

9.

Wat is de afhankelijke variabele en op welke as van de grafiek zet je deze uit?

a)

De variabele die je meet; deze staat op de X-as

b)

De variabele die je varieert; deze staat op de X-as

c)

De variabele die je meet; deze staat op de Y-as

d)

De variabele die je varieert; deze staat op de Y-as

10.

Hoe heet de bevuchte eicel?

a)

Foetus

b)

Zona pellucida

c)

Zygote

d)

Trofoblast

11.

In deze fase van de meiose gaan de chromatiden uit elkaar.

a)

Meiose I, anafase

b)

Meiose II, anafase

c)

Meiose I, metafase

d)

Meiose II, metafase

12.

Deze hormonen hebben een remmende werking op de afgifte van hormonen uit de hypothalamus

a)

FSH en LH

b)

Oestrogeen en LH

c)

Progesteron en FSH

d)

Oestrogeen en progesteron

13.

In deze fase van de mitose liggen de chromosomen in het equatorvlak

a)

Profase

b)

Metafase

c)

Anafase

d)

Telofase

14.

Bij deze techniek wordt een zaadcel direct in een eicel geinjecteerd.

a)

ICSI

b)

IVF

c)

Kunstmatige inseminatie

15.

Hoe heet het proces waarbij homologe chromosomen stukken DNA uitwisselen.

a)

Recombinatie

b)

Mutatie

c)

Translocatie

d)

Crossing-over

16.

Een vogelverschrikker in de kersenboomgaard heeft maar een korte tijd effect.

Welk type leergedrag vertonen de vogels die zich niet meer af laten schrikken?

a)

gewenning

b)

imitatie

c)

inprenting

d)

klassieke conditionering

e)

operant conditionering

17.

Een lijst met beschrijvingen van handelingen noem je een

a)

Protocol

b)

Tabel

c)

Ethogram

d)

Sociogram

18.

Je noteert alle handelingen die een aap doet gedurende een kwartier. Je maakt een

a)

Ethogram

b)

Protocol

c)

Tabel

d)

Diagram

19.

Dit is een voorbeeld van een ethogram

a)

waar

b)

niet waar

20.

Dit is een voorbeeld van een protocol

a)

juist

b)

onjuist

21.

Je ziet de reclameborden van de pizzeria en krijgt trek. Dit is een voorbeeld van een ...

a)

Sleutelprikkel

b)

Supernormale prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Inwendige prikkel

22.

Tot welk niveau van de ecologie behoren alle organismen in een bos samen?

a)

ecosysteem

b)

individu

c)

levensgemeenschap

d)

biotoop

23.

Een klein meisje trekt de hoge hakken van haar moeder aan.

a)

herhalen en oefenen

b)

imitatie

c)

inprenting

d)

stereotiep gedrag

24.

Bij een nieuw wiskundeprobleem zal je je ervaringen van een vorige opgave kunnen inzetten.

a)

herhalen en oefenen

b)

trial-and-error

c)

inprenting

d)

Inzicht

25.

Een jong kuiken volgt een bewegend voorwerp na het uitkomen.

a)

gewenning

b)

imitatie

c)

inprenting

d)

Inzicht

26.

Politiepaarden leren omgaan met luide geluiden en veel volk.

a)

gewenning

b)

imitatie

c)

inprenting

d)

Inzicht

27.

Een duif krijgt voedsel als ze op een drukplaatje duwt. Eerst gebeurt dat per toeval, nadien zal de duif dit bewust doen om voedsel te krijgen.

a)

Imitatie

b)

Klassieke conditionering

c)

Inprenting

d)

Operante conditionering

28.

Duiven

Als een duif elke keer beloond wordt wanneer hij zijn veren poetst, zal het poetsgedrag toenemen. Een duivenfokker besluit om met een paartje waarbij het poetsgedrag door conditionering is toegenomen, verder te fokken. Hij kiest hiervoor een paartje duiven waarbij het conditioneren het beste gelukt is. Hij hoopt zo een ras te fokken met extra veel poetsgedrag, vergeleken met willekeurige duiven.

Drie uitspraken hierover:

I De nakomelingen van het fokpaartje zullen uit zichzelf niet meer poetsen dan de nakomelingen van twee willekeurige duiven.

II Het fokpaartje heeft het vermogen om te leren extra te poetsen. Er is dus een kans dat hun nakomelingen extra poetsen, zonder dit te leren.

III De kans dat de nakomelingen geconditioneerd kunnen worden op extra veel poetsgedrag is groter dan bij nakomelingen van twee willekeurige duiven.

Welke uitspraak/uitspraken is/zijn juist?

a)

Alleen I

b)

Alleen III

c)

Zowel I als III

d)

Zowel I als II

e)

Zowel I, II als III