wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Vakkenmix

Total questions: 42

Worksheet time: 37mins

Name
Class
Date
1.

Om de oppervlakte te berekenen doe je lengte x breedte. Dus bij dit plaatje doe je 4 meter keer 10 meter = 40 m²

a)

40 m²

b)

40 cm²

c)

40 dm²

d)

40 km²

2.

De lengte is 6 meter. De breedte is 7 meter.

Wat is de oppervlakte?

a)

13 m2

b)

26 m

c)

48 m

d)

42 m2

3.

Bereken de oppervlakte in vierkante meter.

a)

13

b)

20

c)

40

d)

30

4.
a)

2

b)

3

c)

4

d)

8

5.
a)

32

b)

12

c)

24

d)

10

6.
a)

24 dm2

b)

24 dm

c)

20 dm

d)

20 dm2

7.
De tuin is 5 meter breed en 7 meter lang. Wat is de oppervlakte van de tuin?
a)
24 m
b)
35 m2
c)
24 m2
d)
35 m
8.
10 m = ... mm
a)
1000
b)
10000
c)
1
d)
100
9.
2,17 km = ... m
a)
217
b)
21,7
c)
2170
d)
21700
10.

370,5 cm + ..... = 4 m

a)

29,5 m

b)

295 cm

c)

2,95 m

d)

29,5 cm

11.

1 km = ..................m.

a)

100 m.

b)

10 m.

c)

1000 m.

d)

10.000 m.

12.

1 km + 250 m =

a)

1,250 m.

b)

1250 m.

c)

251 km

d)

750 m

13.

20 dm = ....

a)

20 m

b)

2 m

c)

2 cm

d)

2 mm

14.

300 cm = ....

a)

30 dm

b)

3 dm

c)

3 m

d)

30 m

15.

60 dm = ...

a)

600 cm

b)

6 m

c)

60 cm

d)

6 cm

16.
a)

77 m2

b)

77 m

c)

34 m2

d)

36 m

17.

Wat is de omtrek van het grasveld?

a)

9 + 7 + 6 + 2 + 3 + 5 = 32 m

b)

3 x 2 = 6 m

c)

63 - 6 = 57 m

d)

9 + 7 = 16 m

18.

Hoeveel meter hek is nodig bij dit bouwterrein?

a)

15 + 13,5 + 6 + 4,5 + 9 + 9 = 57 m

b)

15 + 13,5 + 6 + 4,5 + 9 = 48 m

c)

15 + 13,5 + 6 + 9 + 9 = 52,5 m

d)

13,5 + 6 + 4,5 + 9 + 9 = 42 m

19.
Bereken de omtrek van het vierkant.
a)
25 cm
b)
10 cm
c)
15 cm
d)
20 cm
20.
Bereken de omtrek van de rechthoek.
a)
40 cm
b)
28 cm
c)
14 cm
d)
18 cm
21.

Van welk verband is er sprake als zaken achter elkaar worden opgenoemd?

a)

opsommend

b)

chronologisch

c)

tegenstellend

d)

toelichtend

22.

Van welk verband is sprake in de onderstaande zin?

Ik heb een mooie fiets gezien die ik graag wil kopen, maar ik heb geen geld.

a)

tegenstellend

b)

opsommend

c)

chronologisch

d)

toelichtend

23.

Welk signaalwoord hoort niet bij een opsommend verband?

a)

ook

b)

bovendien

c)

omdat

d)

om te beginnen

24.

Voorbeeld van een tegenstelling : Ik dacht dat ik die vriend kon vertrouwen, desondanks heeft hij toch mijn geheim doorverteld.

a)

Waar met signaalwoord : dat

b)

Niet waar

c)

Waar met signaalwoord : desondanks

25.

1. Mijn band is lek

2. Ik moet lopen

a)

1 is de oorzaak en 2 is het gevolg

b)

2 is de oorzaak en 1 is het gevolg

26.

1. Ik heb goed geleerd voor het proefwerk

2. Ik haal een mooi cijfer

a)

1 is de oorzaak en 2 is het gevolg

b)

2 is de oorzaak en 1 is het gevolg

27.

1. Ik vraag verkering

2. Ik ben verliefd

a)

1 is de oorzaak en 2 is het gevolg

b)

2 is de oorzaak en 1 is het gevolg

28.

1. Ik vier een feest

2. Ik ben jarig

a)

1 is de oorzaak en 2 is het gevolg

b)

2 is de oorzaak en 1 is het gevolg

29.

1. Ik trek een warme jas aan

2. Buiten vriest het

a)

1 is de oorzaak en 2 is het gevolg

b)

2 is de oorzaak en 1 is het gevolg

30.

1. Ik fiets zonder achterlicht

2. De politie houdt mij aan

a)

1 is de oorzaak en 2 is het gevolg

b)

2 is de oorzaak en 1 is het gevolg

31.

a)

1 is de oorzaak en 2 is het gevolg

b)

2 is de oorzaak en 1 is het gevolg

32.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband tegenstelling?

a)

maar

b)

tevens

c)

dan

d)

als

33.
Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband oorzaak-gevolg?
a)
daarmee
b)
daardoor
c)
want
d)
daarom
34.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?


Ik heb besloten om vanmiddag naar de kapper te gaan, omdat ik mijn haren nu echt te lang vind .

a)

opsomming

b)

tegenstelling

c)

tijd

d)

reden

35.

Hoe heet orgaan 2?

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Endeldarm

d)

Twaalfvingerige darm

36.

Dit doodt bacteriën.

a)

Alvleessap

b)

Gal

c)

Maagzuur

d)

Darmsap

37.
Je slikt een stukje brood door. Welk orgaan komt dit voedingsmiddel het eerste tegen?
a)
Dunne darm
b)
Maag
c)
Twaalvingerige darm
d)
Dikke darm
38.
Wat is de functie van bouwstoffen
a)
Groei, ontwikkeling en herstel
b)
Verbranding
c)
Vernieuwing
39.
Zoogdieren halen adem met
a)
longen
b)
kieuwen
c)
celmembraan
d)
tracheeën
40.

Uit hoeveel liter bloed bestaat een volwassen mens?

a)

3-4 liter

b)

2-3 liter

c)

9-10 liter

d)

5-6 liter

41.
Wat zijn voedingsstoffen?
a)
Dingen die je kunt eten of drinken
b)
Bruikbare bestandsdelen in voedsel
c)
Alle onverteerbare stoffen in voedsel
42.
Waarin zitten de meeste voedingsvezels?
a)
biefstuk
b)
bananen
c)
friet
d)
boterhammen