wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Klas 1 - Planten

Total questions: 50

Worksheet time: 2hrs 40mins

Name
Class
Date
1.

Met welk deel van de wortel worden water en mineralen opgenomen?

a)

Wortelharen

b)

Bijwortel

c)

Hoofdwortel

d)

Zijwortel

2.

Wat is de taak van de houtvaten?

a)

Transport van water en mineralen naar boven

b)

Transport van water en mineralen naar beneden

c)

Transport van bouwstoffen naar boven

d)

Transport van bouwstoffen naar beneden

3.

Op welke manier zorgt de stengel van kruidachtige planten voor stevigheid?

a)

Vooral door water

b)

Vooral door celwanden

c)

Door water en celwanden

d)

Door gebruik te maken van andere planten

4.

Welk orgaan heeft deze taak:

Nemen water en mineralen (voedingsstoffen) op uit de bodem, zetten de plant vast in de bodem.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

5.

Welk orgaan heeft deze taak:

Voor transport van stoffen en rechtop houden (stevigheid) van de plant.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

6.

Welk orgaan heeft deze taak:

Hier maakt een plant voedingsstoffen, dat heet fotosynthese.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

7.

Welk orgaan heeft deze taak:

Zorgen voor de voortplanting, de ontwikkeling van vruchten en zaden.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

8.

Dit is selderij. Dit komt van een plant. Welk deel van de plant eet jij hier op?

a)

De wortels

b)

De stengel

c)

De bladeren

9.

Wat is geen functie van wortels?

a)

De plant stevig vast zetten in de grond

b)

Water opnemen uit de grond

c)

Voedsel opnemen uit de grond

d)

Zuurstof maken

10.

Welke plant staat op een droge plek? (Kijk naar de wortels!)

a)

Plant 1

b)

Plant 2

c)

Plant 1 en 2

d)

Geen enkele plant

11.

Dit is spinazie. Dit komt van een plant. Welk deel van de plant eet je hier op?

a)

De wortel

b)

De stengel

c)

De bladeren

12.

Wat zie je bij nummer 1 tot 5?

a)

volwassen planten

b)

kieming

c)

fotosynthese

13.
Zet de volgende gebeurtenissen bij het kiemen van een zaad in volgorde.
1. De zaadlobben komen boven de grond.
2. Het worteltje komt naar buiten.
3. De zaadhuid scheurt open
a)
1-2-3
b)
3-2-1
c)
2-1-3
d)
3-1-2
14.

Waarom slaan planten reservestoffen op in hun wortels?

a)

Zodat ze na een koude periode weer goed kunnen groeien

b)

Zodat mensen ze kunnen eten

c)

Zodat dieren ze kunnen eten

d)

Om te zorgen dat de plant stevig wordt verankerd in de grond

15.

Wat wordt er door de bastvaten (zeefvaten) vervoerd?

a)

Water en mineralen naar boven

b)

Water en mineralen naar beneden

c)

Bouwstoffen naar boven

d)

Bouwstoffen naar beneden

16.

Wat is nummer 2?

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

c)

Vaatbundel

d)

Opperhuid

17.
De bloemen van de plant zorgen voor
a)
stevigheid
b)
opname van water
c)
fotosynthese
d)
voortplanting
18.
Welk deel van het kiemplantje komt als 1e tevoorschijn bij de ontkieming?
a)
Wortel
b)
Stengel
c)
Blad
d)
Bloem
19.
Wat een plant voor het afsterven opslaat in haar wortels, om zo de winter door te  komen en daarna weer een nieuwe plant te kunnen laten groeien.
a)
voedingsstoffen
b)
watervoorraad
c)
reservevoedsel
d)
groene energie
20.

Welk nummer heeft het cytoplasma (celplasma) en de celwand?

a)

Cytoplasma nummer 1, celwand nummer 3

b)

Cytoplasma nummer 1, celwand nummer 5

c)

Cytoplasma nummer 2, celwand nummer 3

d)

Cytoplasma nummer 2, celwand nummer 5

21.

Welke delen komen alleen bij plantencellen voor?

a)

Nummer 4

b)

Nummer 7

c)

Nummer 4, 5 en 7

d)

Nummer 4, 5, 6 en 7

22.

Voor een medisch onderzoek wordt een microscopisch preparaat gemaakt van ontlasting. In dat preparaat zitten onder andere bacteriën, cellen van een spinazieplant en cellen van de darmwand. In de afbeelding is een deel van het preparaat getekend.


Welke letter geeft de cellen van een spinazieplant aan?

a)

Letter P

b)

Letter Q

c)

Letter R

23.

Wat is de juiste volgorde van zuigkracht?

  1. De bladcellen verliezen water
  2. De wortels nemen weer nieuw water op.
  3. Er verdampt water uit de huidmondjes.
  4. Er stroomt water vanuit de houtvaten naar de bladcellen.
a)

3-1-4-2

b)

1-2-3-4

c)

2-4-1-3

d)

4-3-2-1

24.

Van welke vaten is dit:

Hierdoor stroomt water met mineralen uit de wortels omhoog.

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

25.

Van welke vaten is dit:

Liggen aan de binnenkant van de vaatbundels.

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

26.

Van welke vaten is dit:

liggen aan de buitenkant van de vaatbundel

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

27.

Van welke vaten is dit:

Vervoer van water met glucose vanuit de bladeren naar de andere organen

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

28.

Hoe noem je de buisjes waarmee voedsel en water worden vervoerd?

a)

Bloedvaten

b)

Buizen

c)

Vaatbundels

d)

Gangen

29.
Welk nummer geeft de zijwortel aan?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
30.
Welk van de genummerde delen zal vooral als functie het opnemen van water hebben?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
31.
Welk van onderstaande planten zal het grootste wortelstelsel hebben?
a)
Plant in droge bodem
b)
Plant in natte bodem
32.
Welk nummer geeft de hoofdnerf aan?
a)
6
b)
7
c)
8
d)
9
33.
In welk deel van de bladeren bevinden zich de vaten?
a)
Nerven
b)
Bladmoes
c)
Bladrand
d)
Alleen in de bladsteel
34.
De ...... beginnen in de wortel, lopen door de stengel heen naar de vruchten, bloemen en bladeren.
Welk woord ontbreekt er?
a)
Vaten
b)
Vaatbundels
35.

Deze cellen hebben een celwand.

a)

Dierlijke cellen

b)

Plantaardige cellen

c)

Allebei de soorten cellen

d)

Allebei niet

36.

welk onderdeel van het zaad neemt water op bij de eerste stap van ontkieming?

a)

blaadjes

b)

zaadhuid

c)

wortel

d)

stengel

37.
Deze cellen hebben cytplasma
a)
Dierlijke cel
b)
Plantaardige cel
c)
Beide soorten cellen
d)
Allebei niet
38.

Bij dierlijke cellen zorgt de celwand voor stevigheid

a)

goed

b)

fout

39.

Waar in een plantencel bevinden zich de bladgroenkorrels?

a)

Celmembraan

b)

Celkern

c)

Cytoplasma

d)

Vacuole

40.

Onderdeel 1 heet

a)

Cytoplasma

b)

Vacuole

c)

Kern

41.

Welk onderdeel van de plantencel wordt aangegeven met 5?

a)

Cytoplasma

b)

Celwand

c)

Bladgroenkorrel

d)

Celkern

42.

Welk onderdeel wordt aangegeven met 4?

a)

Navel

b)

Zaadlob

c)

Poortje

d)

Kiem

43.

Welk onderdeel wordt aangegeven met 2?

a)

Navel

b)

Zaadlob

c)

Poortje

d)

Kiem

44.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Object
b)
Oculair
c)
Diafragma
d)
Statief
45.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Object
b)
Tubus
c)
Diafragma
d)
Voet
46.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
tubus
b)
Lamp
c)
Preparaatklem
d)
Statief
47.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Fijne stelknop
b)
lichtknopje
c)
Grove stelsknop
d)
revolver
48.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Revolver
b)
Lamp
c)
Oculair
d)
Tubus
49.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Tubus
b)
Voet
c)
Diafragma
d)
Revolver
50.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Fijne stelknop
b)
Voet
c)
Diafragma
d)
Statief