Font size
WorksheetsTaak 3: de werkwoorden/zinnen maken
Total questions: 85
Worksheet time: 7hrs 5mins
Ik (a) (drinken) graag koffie.
Jij (a) (ruiken) aan de roos.
Hij ... (luisteren) naar de muziek.
(a)
Wij (a) (slapen) in ons bed.
De leerlingen ... (fietsen) naar school.
(a)
Hij ... (lopen) naar het park.
(a)
Het meisje ... (eten) een appel.
(a)
De jongens ... (zitten) op een stoel.
(a)
Ik ... (praten) met mevrouw Behets.
(a)
Hij ... (zwemmen) in het zwembad.
(a)
De jongen ... (wassen) zijn haar.
(a)
Ali ... (antwoorden) op de vraag.
(a)
Zij ... (wachten) op de bus.
(a)
Jij ... (lezen) een boek in de klas.
(a)
Hij ... (schrijven) op het papier.
(a)
Jij ... (knippen) met de schaar.
(a)
Hij ... (blijven) in huis.
(a)
Het meisje ... (wijzen) met haar vinger naar het bord.
(a)
Wij ... (hebben).
(a)
Jij ... (hebben).
(a)
Hij ... (hebben).
(a)
Jullie ... (hebben).
(a)
Het meisje ... (hebben).
(a)
Ik ... (zijn).
(a)
Wij ... (zijn).
(a)
Jullie ... (zijn).
(a)
Hij ... (zijn).
(a)
Jij ... (zijn).
(a)
Jij ... (mogen).
(a)
Hij... (mogen).
(a)
De meisjes ... (mogen).
(a)
De jongens ... (mogen).
(a)
Ik ... (mogen).
(a)
Ze ... (kunnen).
(a)
Ik ... (kunnen).
(a)
Wij ... (kunnen).
(a)
Jij ... (kunnen).
(a)
Hij ... (kunnen).
(a)
Ik ... (geven).
(a)
Hij ... (geven).
(a)
Wij ... (geven).
(a)
Ze ... (geven).
(a)
Jij ... (geven).
(a)
Hij ... (voetballen) in de tuin.
(a)
Ik ... (spelen) met de hond.
(a)
Wij ... (wassen) de ramen.
(a)
Jij ... (koken) soep.
(a)
Het kind ... (lopen) naar mama.
(a)
... (gaan) jij naar Brussel?
(a)
Jij ... (fietsen) naar school.
(a)
Zij ... (zwemmen) in de zee.
(a)
Plaats de woorden in de juiste volgorde:
in de sportzaal - voetballen - de leerlingen
(a)
Plaats de woorden in de juiste volgorde:
de lerares - gaan - naar de directeur
(a)
Plaats de woorden in de juiste volgorde:
spelen - de jongens - met de kaarten
(a)
Plaats de woorden in de juiste volgorde:
wassen - ik - mijn haar - elke dag
(a)
Hij ... (kijken) naar buiten.
(a)
De leerlingen ... (vegen) de klas.
(a)
Mijn zus ... (lezen) in haar boek.
(a)
Ik ... (kleuren) met rood.
(a)
Het meisje ... (schrijven) op het bord.
(a)
Mijn mama ... (ruiken) rook in de keuken.
(a)
Ik ... (slapen) in de slaapkamer.
(a)
Jij ... (lopen) naar school.
(a)
Mijn broer ... (drinken) water.
(a)
Jij ... (zwemmen) in de zee.
(a)
Ik ... (eten) een boterham.
(a)
Hij ... (kijken) naar het bord.
(a)
De leerling ... (luisteren) naar mevrouw.
(a)
Het meisje ... (kleuren) de tekening.
(a)
Jij ... (springen) in de lucht.
(a)
Ik ... (gooien) de bal.
(a)
Jij ... (zitten) in de klas.
(a)
De jongen ... (fietsen) naar school.
(a)
Jij ... (schrijven) een brief.
(a)
Ik ... (lezen) een boek.
(a)
Vul het juiste werkwoord in.
Kies uit: eten, maken, lachen, begrijpen, wonen, gaan, hebben, spelen, spreken, studeren.
Mijn mama ... lekkere soep.
(a)
Vul het juiste werkwoord in.
Kies uit: eten, maken, lachen, begrijpen, wonen, gaan, hebben, spelen, spreken, studeren.
In de klas ... wij Nederlands.
(a)
Vul het juiste werkwoord in.
Kies uit: eten, maken, lachen, begrijpen, wonen, gaan, hebben, spelen, spreken, studeren.
... jij kinderen?
(a)
Vul het juiste werkwoord in.
Kies uit: eten, maken, lachen, begrijpen, wonen, gaan, hebben, spelen, spreken, studeren.
De meisjes (a) met de film.
Vul het juiste werkwoord in.
Kies uit: eten, maken, lachen, begrijpen, wonen, gaan, hebben, spelen, spreken, studeren.
Morgen ... ik naar Brussel.
(a)
Vul het juiste werkwoord in.
Kies uit: eten, maken, lachen, begrijpen, wonen, gaan, hebben, spelen, spreken, studeren.
Hoeveel uren ... jij voor de toets?
(a)
Vul het juiste werkwoord in.
Kies uit: eten, maken, lachen, begrijpen, wonen, gaan, hebben, spelen, spreken, studeren.
Hoelang ... jij al in Oostende?
(a)
Vul het juiste werkwoord in.
Kies uit: eten, maken, lachen, begrijpen, wonen, gaan, hebben, spelen, spreken, studeren.
Ik spreek geen Arabisch. Ik ... de leerlingen niet.
(a)
Vul het juiste werkwoord in.
Kies uit: eten, maken, lachen, begrijpen, wonen, gaan, hebben, spelen, spreken, studeren.
Het kind ... met de bal.
(a)
Vul het juiste werkwoord in.
Kies uit: eten, maken, lachen, begrijpen, wonen, gaan, hebben, spelen, spreken, studeren.
Straks ... ik een sandwich met kaas en tomaat.
(a)
