wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

TAALDENKEN: signaalwoorden

Total questions: 22

Worksheet time: 2hrs 50mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een signaalwoord?

a)

Een kort woord dat een zin langer maakt.

b)

Een kort woord dat een verband legt tussen verschillende delen van een zin.

c)

Een kort woord dat zegt wat je moet doen in de zin.

2.

Welke woorden zijn signaalwoorden?

a)

jullie

b)

nadat

c)

als

d)

boek

e)

tot slot

3.

Welke signaalwoorden duiden op een verband met een tijdsvolgorde?

a)

tenzij

b)

toen

c)

nadat

d)

tot slot

e)

maar

4.

Welke signaalwoorden geven een verband met een tegenstelling aan?

a)

maar

b)

als

c)

toch

d)

echter

e)

daarentegen

5.

Welke signaalwoorden vertellen iets over een verband met een voorwaarde?

a)

mits

b)

tenzij

c)

toen

d)

als ... dan ...

e)

maar

6.

Welk signaalwoord is: in tegenstelling tot

a)

Een signaalwoord van tijd

b)

Een signaalwoord van tegenstelling

c)

Een signaalwoord van voorwaarde

7.

Welk signaalwoord is: tenzij

a)

Een signaalwoord van tijd

b)

Een signaalwoord van tegenstelling

c)

Een signaalwoord van voorwaarde

8.

Welk signaalwoord is: echter

a)

Een signaalwoord van tijd

b)

Een signaalwoord van tegenstelling

c)

Een signaalwoord van voorwaarde

9.

Welk signaalwoord is: vervolgens

a)

Een signaalwoord van tijd

b)

Een signaalwoord van tegenstelling

c)

Een signaalwoord van voorwaarde

10.

Welk signaalwoord is: toen

a)

Een signaalwoord van tijd

b)

Een signaalwoord van tegenstelling

c)

Een signaalwoord van voorwaarde

11.

Welk signaalwoord is: maar

a)

Een signaalwoord van tijd

b)

Een signaalwoord van tegenstelling

c)

Een signaalwoord van voorwaarde

12.

Welk signaalwoord is: mits

a)

Een signaalwoord van tijd

b)

Een signaalwoord van tegenstelling

c)

Een signaalwoord van voorwaarde

13.

Welk signaalwoord is: daarentegen

a)

Een signaalwoord van tijd

b)

Een signaalwoord van tegenstelling

c)

Een signaalwoord van voorwaarde

14.

Welk signaalwoord is: eerst

a)

Een signaalwoord van tijd

b)

Een signaalwoord van tegenstelling

c)

Een signaalwoord van voorwaarde

15.

Welk signaalwoord is: daarna

a)

Een signaalwoord van tijd

b)

Een signaalwoord van tegenstelling

c)

Een signaalwoord van voorwaarde

16.

Welk signaalwoord is: als

a)

Een signaalwoord van tijd

b)

Een signaalwoord van tegenstelling

c)

Een signaalwoord van voorwaarde

17.

Welk signaalwoord is: toch

a)

Een signaalwoord van tijd

b)

Een signaalwoord van tegenstelling

c)

Een signaalwoord van voorwaarde

18.

Welk signaalwoord is: nadat

a)

Een signaalwoord van tijd

b)

Een signaalwoord van tegenstelling

c)

Een signaalwoord van voorwaarde

19.

Welk signaalwoord is: op voorwaarde dat

a)

Een signaalwoord van tijd

b)

Een signaalwoord van tegenstelling

c)

Een signaalwoord van voorwaarde

20.

Welk signaalwoord is: dan

a)

Een signaalwoord van tijd

b)

Een signaalwoord van tegenstelling

c)

Een signaalwoord van voorwaarde

21.

Welk signaalwoord is: ten slotte

a)

Een signaalwoord van tijd

b)

Een signaalwoord van tegenstelling

c)

Een signaalwoord van voorwaarde

22.

Welk signaalwoord is: als ... dan ...

a)

Een signaalwoord van tijd

b)

Een signaalwoord van tegenstelling

c)

Een signaalwoord van voorwaarde