wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Procentrekenen

Total questions: 30

Worksheet time: 1hrs 14mins

Name
Class
Date
1.

Deze quiz is een controlemiddel om te kijken of jullie alles begrepen hebben over procentrekenen.


Er zijn meerkeuzevragen, maar er volgen ook enkele vragen waar jullie zelf het antwoord moeten typen. Ik wil enkel een getal als oplossing. Je moet dus GEEN ANTWOORDZIN typen.


Je hebt een kladblad, stylo en rekenmachine nodig bij het oplossen van deze quiz.


Het resultaat van deze quiz zal ook verschijnen op jullie rapport.


Doe dus jullie best en veel succes!

mevrouw Decoster

a)

Duidelijk

b)

Oke

2.

In een firma neemt 30% van de werknemers 's morgens een stevig ontbijt. Bij deze firma werken 6 200 personen. Hoeveel werknemers nemen een ontbijt?

(a)  

3.

15% van de inwoners van de stad Brussel poetst 's avonds zijn tanden niet. In Brussel wonen ongeveer 177 000 mensen.

Hoeveel inwoners poetsen 's avonds hun tanden niet?

(a)  

4.

Je school telt 130 leerkrachten. 30% van de leerkrachten komt met de fiets naar school.

Hoeveel leerkrachten komen er met de fiets?

(a)  

5.

Een boer heeft 130 varkens. 20% daarvan wordt deze maand geslacht.

Hoeveel varkens worden er deze maand geslacht?

(a)  

6.

Op je school heeft 5% van de leerlingen groene ogen. Je school telt 820 leerlingen.

Hoeveel leerlingen hebben groene ogen?

(a)  

7.

4% van de ijshoorntjes gaat stuk bij het maken in de fabriek. In één uur worden 625 hoorntjes gemaakt.

Hoeveel hoorntjes gaan er stuk per uur?

(a)  

8.

De breuk 5100\frac{5}{100}  komt overeen met hoeveel procent?

a)

5%

b)

50%

9.

Het kommagetal 0,4 komt overeen met hoeveel procent?

a)

40%

b)

4%

10.

Met welke procent komt volgende breuk overeen: 20100\frac{20}{100}   

a)

20%

b)

2%

11.

Hoe schrijf je 15% als een kommagetal?

a)

0,15

b)

1,5

12.

Hoe schrijf je 3% als een kommagetal

a)

0,3

b)

0,03

13.

Wanneer je 50% van een getal moet berekenen, dan moet dit getal ...

a)

delen door 2

b)

vermenigvuldigen met 2

c)

delen door 4

d)

vermenigvuldigen met 4

14.

Wanneer je 10% van een getal moet berekenen, dan moet dit getal ...

a)

delen door 5

b)

vermenigvuldigen met 5

c)

delen door 10

d)

vermenigvuldigen met 10

15.

Wanneer je 20% van een getal moet berekenen, dan moet dit getal ...

a)

delen door 5

b)

vermenigvuldigen met 5

c)

delen door 20

d)

vermenigvuldigen met 20

16.

Wanneer je 100% van een getal moet berekenen, dan moet je dit getal ...

a)

behouden

b)

vermenigvuldigen met 100

c)

delen door 100

17.

Wanneer je 25% van een getal moet berekenen, dan moet dit getal ...

a)

delen door 25

b)

vermenigvuldigen met 25

c)

delen door 4

d)

vermenigvuldigen met 4

18.

Wat betekent procent?

a)

iets met getallen

b)

per honderd

c)

per 1000

d)

per duizend

19.
Dit rokje kost nu...
a)
€59,40
b)
€50,-
c)
€54,00
d)
€56,00
20.
Een leidster in de kinderopvang verdient €1800,- netto. Ze krijgt een loonverhoging van 1,5% wat is haar nieuwe salaris? 
a)
€2000,-
b)
€2070,-
c)
€1827,-
d)
€27,-
21.

Hoeveel procent is gekleurd?

a)

0%

b)

5%

c)

25%

d)

50%

22.

Hoeveel procent van deze 100 hokjes zijn hier geel gekleurd?

a)

1/4 deel

b)

25%

c)

3/4 deel

d)

75%

23.

Welk percentage hoort bij 1/10 deel?

a)

25%

b)

10%

c)

50%

d)

33,33..%

24.
20 % van 500 =
a)
100
b)
10
c)
20
d)
200
25.
30 % van 900
a)
270
b)
27
26.

Hoeveel procent is in deze figuur blauw gekleurd?

a)

6%

b)

12%

c)

35%

d)

47%

27.
Welk decimaal getal hoort bij 74 procent?
a)
0,26
b)
1,74
c)
0,33
d)
0,74
28.

Welk bedrag is 9% van 200 euro?

a)

€ 2

b)

€ 18

c)

€ 20

d)

€ 190

29.

Ik heb op een toets 7 op 10. Hoeveel % is dat ?

a)

7 %

b)

14 %

c)

70 %

d)

7,70 %

30.
Een fiets kost 499 euro. Je krijgt 30% korting. Wat moet je betalen?
a)
349,50
b)
349,20
c)
350,15
d)
349,30