wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nova 3M Straling en Materie

Total questions: 37

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

In de natuur komen vrijwel geen zuivere stoffen voor, maar er zijn uitzonderingen.

Welke stof komt wel als zuivere stof in de natuur voor?

a)

Calcium (kalk)

b)

Goud

c)

Magnesium

d)

Zilver

2.

Welke bewering is waar?

a)

Als een mengsel smelt, worden de stoffen gescheiden.

b)

Een mengsel kan worden gescheiden.

c)

Elke stof is een mengsel.

d)

In een mengsel zit maar één soort moleculen.

3.

In figuur 1 zie je een voorstelling van een bepaalde stof met behulp van het deeltjesmodel.

In welke fase is deze stof?

a)

de gasfase

b)

de vaste fase

c)

de vloeibare fase

4.

De gasdruk in een container kan toenemen.

Wanneer neemt de gasdruk toe?

a)

Als de moleculen langzamer gaan bewegen.

b)

Als de container open wordt gemaakt.

c)

Als er meer moleculen in de container komen.

d)

Als er moleculen uit de container verdwijnen.

5.

Het kookpunt van zuurstof is –183 °C.

Wat is het kookpunt van zuurstof in kelvin?

a)

–90 K

b)

–456 K

c)

90 K

d)

456 K

6.

Er zijn verschillende methoden om een mengsel te scheiden.

Hoe heet de methode waarbij je met een oplosmiddel een oplosbare vaste stof scheidt van een onoplosbare vaste stof?

a)

absorberen

b)

extraheren

c)

filtreren

d)

indampen

7.

Je voegt aan een mengsel van suiker en zand ruim water toe. Je schudt het mengsel langdurig en giet het daarna in een filter.

Wat blijft er in het filter achter?

a)

niets

b)

suiker

c)

zand

d)

zowel suiker als zand

8.

Welke bewering over elementen is waar?

a)

Een stof ontleedt als elementen worden samengevoegd.

b)

Een element is hetzelfde als een molecuul.

c)

Elementen kunnen niet verder worden ontleed.

d)

Er bestaan miljoenen verschillende elementen.

9.

Welke twee stoffen zijn elementen?

a)

aardgas

b)

goud

c)

hout

d)

kwik

e)

roest

10.

Je kunt de temperatuur meten in graden Celsius of in kelvin.

Reken om:

–1 °C = … K

(a)  

11.

Je kunt de temperatuur meten in graden Celsius of in kelvin.

Reken om:

153 °C = … K

(a)  

12.

Je kunt de temperatuur meten in graden Celsius of in kelvin.

Reken om:

260 K = … °C

(a)  

13.

Je kunt de temperatuur meten in graden Celsius of in kelvin.

Reken om:

300 K = … °C

(a)  

14.

In figuur 2 zie je een model van een molecuul.


Uit hoeveel verschillende soorten atomen bestaat dit molecuul?

(a)  

15.

In figuur 2 zie je een model van een molecuul.


Hoeveel atomen zitten er in totaal in dit molecuul?

(a)  

16.

Een koperatoom heeft 29 protonen en 34 neutronen.


Wat is het atoomnummer van dit atoom?

(a)  

17.

Een koperatoom heeft 29 protonen en 34 neutronen.


Wat is het massagetal van dit atoom?

(a)  

18.

Een koperatoom heeft 29 protonen en 34 neutronen.


Hoeveel elektronen zitten er in dit atoom?

(a)  

19.

Van het element chloor bestaan twee vormen: chloor-35 en chloor-37.


Hoe noem je die twee verschillende vormen van chloor?

(a)  

20.

Van het element chloor bestaan twee vormen: chloor-35 en chloor-37.

Het atoomnummer van chloor is 17.


Hoeveel protonen heeft een atoom chloor-35?

(a)  

21.

Van het element chloor bestaan twee vormen: chloor-35 en chloor-37.

Het atoomnummer van chloor is 17.


Hoeveel neutronen heeft een atoom chloor-35?

(a)  

22.

Van het element chloor bestaan twee vormen: chloor-35 en chloor-37.

Het atoomnummer van chloor is 17.


Hoeveel protonen heeft een atoom chloor-37?

(a)  

23.

Van het element chloor bestaan twee vormen: chloor-35 en chloor-37.

Het atoomnummer van chloor is 17.


Hoeveel neutronen heeft een atoom chloor-37?

(a)  

24.

Een zonnebank zendt straling uit.

Wat voor straling is dat voornamelijk?

a)

gammastraling

b)

infrarode straling

c)

röntgenstraling

d)

ultraviolette straling

25.

Laat glas zichtbaar licht door of absorbeert het deze straling? En een zwart gordijn?

a)

glas laat zichtbaar licht door, zwart gordijn absorbeert zichtbaar licht

b)

glas laat zichtbaar licht door, zwart gordijn laat zichtbaar licht door

c)

glas absorbeert zichtbaar licht, zwart gordijn absorbeert zichtbaar licht

d)

glas absorbeert zichtbaar licht, zwart gordijn laat zichtbaar licht door

26.

Welke straling is zwak ioniserend?

a)

infrarode straling

b)

röntgenstraling

c)

ultraviolette straling

d)

zichtbaar licht

27.

Wat wordt bedoeld met de halfwaardetijd van een radioactieve stof?

a)

het aantal moleculen dat per seconde wordt kapotgemaakt

b)

het aantal atoomkernen dat per seconde verandert

c)

de tijd waarin de hoeveelheid straling wordt gehalveerd

d)

de tijd waarin een radioactieve stof straling uitzendt

28.

Niet alle soorten straling zijn even gevaarlijk.

Welke straling is het gevaarlijkst bij bestraling van buitenaf?

a)

alfastraling

b)

bètastraling

c)

gammastraling

29.

De dracht verschilt per soort straling.

Welk soort straling heeft, bij dezelfde energie, de kleinste dracht?

a)

alfastraling

b)

bètastraling

c)

gammastraling

30.

In figuur 1 zie je een grafiek van het radioactief verval van jood-131.

Hoeveel keer is de straling in 32 dagen gehalveerd?

a)

1 keer

b)

2 keer

c)

3 keer

d)

4 keer

31.

Neon-24 heeft een halfwaardetijd van 15 uur.

Hoeveel radioactiviteit is er na 60 uur nog over?

a)

een kwart

b)

een achtste

c)

een twaalfde

d)

een zestiende

32.

Om organen in het menselijk lichaam te onderzoeken, wordt een radioactieve merkstof gebruikt.

Welke soort straling zendt zo’n merkstof uit?

a)

alfastraling

b)

bètastraling

c)

gammastraling

d)

röntgenstraling

33.

De verschillende soorten straling hebben een verschillend doordringend vermogen.

Welke stralingssoort wordt door een vel papier tegengehouden?

a)

alfastraling

b)

bètastraling

c)

gammastraling

34.

Adnan beschrijft een stof. Hij schrijft onder meer op dat de atoomkernen van de stof stabiel zijn.

Beschrijft Adnan hiermee een radioactieve stof?

a)

Ja

b)

Nee

35.

Het personeel in een ziekenhuis gaat bij het bestralen van een patiënt achter een dikke muur staan. De dikke muur bevat een grote hoeveelheid metaal.

Welk metaal is hiervoor het meest geschikt, lood of aluminium?

a)

Lood

b)

Aluminium

36.

In een ziekenhuis wordt jood-131 gebruikt bij de behandeling van schildklierkanker. Voor de behandeling van een patiënt wordt 0,68 µg jood-131 toegediend. Jood-131 heeft een halfwaardetijd van acht dagen. Een ziekenhuis heeft 17 µg jood-131 in huis om een aantal patiënten tegelijk te behandelen.


Hoeveel patiënten kunnen daarmee tegelijkertijd behandeld worden?

(a)  

37.

In een ziekenhuis wordt jood-131 gebruikt bij de behandeling van schildklierkanker. Voor de behandeling van een patiënt wordt 0,68 µg jood-131 toegediend. Jood-131 heeft een halfwaardetijd van acht dagen. Een ziekenhuis heeft 17 µg jood-131 in huis om een aantal patiënten tegelijk te behandelen.


Hoeveel µg jood-131 is er na 24 dagen nog over in een patiënt?

(a)