wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Separabele werkwoorden

Total questions: 14

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

De buurvrouw (buitenzetten) de vuilniszakken.

a)

De buurvrouw heeft de vuilniszakken gezet buiten

b)

De buurvrouw heeft de vuilniszakken buitengezet

c)

De buurvrouw heeft de vuilniszakken gebuitenzet.

2.

Piet (oversteken) de straat op het zebrapad.

a)

Piet oversteekt de straat op het zebrapad.

b)

Pieter steekt over de straat op het zebrapad.

c)

Pieter steekt de straat op het zebrapad over.

3.

Moeder (oppompen) de banden van haar fiets

a)

Moeder pompt de banden van haar fiets op.

b)

Moeder oppompt de banden van haar fiets.

c)

Moeder pompt op de banden van haar fiets.

4.

De directeur (opbellen) de ouders nog niet

a)

De directeur heeft de ouders nog niet geopbeld.

b)

De directeur heeft de ouders nog niet gebeld op.

c)

De directeur heeft de ouders nog niet opgebeld.

d)

De directeur heeft de ouders nog niet opgebelt.

5.

Ik (klaarmaken) een lekkere lunch voor jou.

a)

Ik zal een lekkere lunch voor jou klaarmaken.

b)

Ik zal een lekkere lunch voor jou maken klaar.

6.

Ik (uitnodigen) 100 gasten op mijn trouwfeest.

a)

Ik wil 100 gasten op mijn trouwfeest uitgenodigd.

b)

Ik wil 100 gasten op mijn trouwfeest nodigen uit.

c)

Ik wil 100 gasten op mijn trouwfeest uitnodigen.

7.

Wij (uitgaan) elk weekend.

a)

Wij uitgaan elk weekend.

b)

Wij gaan elk weekend uit.

8.

Vandaag (oplossen) ik het probleem

a)

Vandaag heb ik het probleem opgelost.

b)

Vandaag heb ik het probleem geoplost.

c)

Vandaag heb ik het probleem gelost op.

9.

Ze wil dat ik alles (uitleggen)

a)

Ze wil dat ik alles leg uit.

b)

Ze wil dat ik alles uitleg.

10.

De studenten (opzoeken) de moeilijke woorden in het woordenboek

a)

De studenten zoeken op de moeilijke woorden in het woordenboek

b)

De studenten zoeken de moeilijke woorden in het woordenboek op

c)

De studenten opzoeken de moeilijke woorden in het woordenboek

11.

Jan heeft gezegd dat hij (opbellen) dagelijks zijn oma.

a)

Jan heeft gezegd dat hij dagelijks zijn oma belt op.

b)

Jan heeft gezegd dat hij dagelijks opbelt zijn oma.

c)

Jan heeft gezegd dat hij dagelijks zijn oma opbelt.

12.

Ik wil graag studeren. Ik (inschrijven) me voor de studie economie.

a)

Ik wil graag studeren. Ik heb me voor de studie economie ingeschrijven.

b)

Ik wil graag studeren. Ik heb me voor de studie economie geinschrijven.

c)

Ik wil graag studeren. Ik heb me voor de studie economie ingeschreven.

d)

Ik wil graag studeren. Ik heb me voor de studie economie geschreven in.

13.

Om 11.00 uur (aankomen) ik op Utrecht Centraal

a)

Om 11.00 uur kom ik aan op Utrecht Centraal.

b)

Om 11.00 uur aankom ik op Utrecht Centraal.

c)

Om 11.00 ik kom aan op Utrecht Centraal.

14.

(Invullen) u het sollicitatieformulier nu?

a)

Kan u het sollicitatieformulier nu vullen in?

b)

Kan u het sollicitatieformulier nu ingevuld?

c)

Kan u invullen het sollicitatieformulier nu?

d)

Kan u het sollicitatieformulier nu invullen?