wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Moleculaire genetica

Total questions: 19

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de correcte volgorde van de eiwitsynthese?

a)

splicing - transcriptie - translatie

b)

translatie - transcriptie - splicing

c)

transcriptie - splicing - translatie

d)

splicing - translatie - transcriptie

2.

RNA is een nucleïnezuur en ...

a)

bevat een fosfaatgroep

b)

bevat een desoxiribose

c)

bevat een organische stikstofbase

d)

bevat een ribose

e)

is enkelstrengig

3.

Welke proces vindt plaats bij nummer 4

a)

transcriptie

b)

replicatie

c)

replicatie

4.

Waar vindt de translatie plaats?

a)

In de celkern

b)

In het cytoplasma

5.

Op deze afbeelding staat ...

a)

een proteïne

b)

een vetzuur

c)

een aminozuur

d)

een DNA-code

e)

een koolhydraat

6.

Waar vindt de transcriptie plaats?

a)

In de celkern

b)

In het cytoplasma

7.

Wat stelt een codon voor?

a)

ATG

b)

AGU

c)

AUT

d)
8.

Welk proces vindt er plaats op deze tekening?

a)

transcriptie

b)

transfer-RNA creëert basen

c)

translatie

d)

DNA-helix wordt opengevouwen

9.

Een anticodon is een basentriplet en komt voor ...

a)

in DNA, mRNA en tRNA

b)

alleen in DNA

c)

alleen in mRNA

d)

alleen in tRNA

e)

in DNA en mRNA

10.

Welk proces wordt hier voorgesteld?

a)

translatie

b)

replicatie

c)

mitose

d)

transcriptie

11.

Het centrale dogma van de moleculaire biologie stelt dat informatie vloeit van ...

a)

Proteïne < mRNA < DNA

b)

Proteïne < DNA < mRNA

c)

mRNA < DNA < proteïne

d)

DNA < mRNA < proteïne

12.

Het belangrijkste enzym gerelateerd aan transcriptie is:

a)

gyrase

b)

DNA-polymerase

c)

ligase

d)

RNA-polymerase

13.

Crossing-over is..

a)

Veranderingen in het DNA waardoor het individu van geslacht verandert tijdens de mitose

b)

Het hechten van een deel van een chromosoom aan een ander chromosoom tijdens de meiose

c)

Het mengen van genetisch materiaal tijdens bevruchting, zodat genetische variatie ontstaat

d)

Een vorm van genetische modificatie

14.

Een grote deletie heeft altijd een groter effect op het gevormde eiwit dan een puntmutatie

a)

Waar

b)

Niet waar

15.

Wat is de definitie van biotechnologie?

a)

Levende organismen (of delen ervan) gebruiken om een product te maken of een probleem op te lossen

b)

Levende organismen (of delen ervan) gebruiken om geld mee te verdienen

c)

Levende organismen genetisch modificeren

d)

Bacteriën gebruiken om een product te maken

16.

Welke onderdelen migreren bij DNA-gelelektroforese het snelst?

a)

Lange fragmenten

b)

Korte fragmenten

17.

GGO staat voor (2 opties)

a)

Gewijzigde genetische organisme

b)

Genetisch gesleuteld organisme

c)

Genetische gemanipuleerd organisme

d)

Genetisch gewijzigd organisme

18.

Een bacteriofaag is ...

a)

een bacterie die een bacterie infecteert.

b)

een virus die een bacterie infecteert.

c)

een bacterie die een virus infecteert.

19.

Het syndroom van Down is ...

a)

een genmutatie.

b)

een chromossommutatie.

c)

een genoommutatie.